De jongste dertig jaar daalde in België - en in heel West-Europa trouwens - het geboortecijfer. Volgens gegevens van de Verenigde Naties krijgt een Europese vrouw tegenwoordig gemiddeld 1,4 kinderen. Begin de jaren zeventig waren dat nog 2 kinderen, net onder de magische grens van 2,1 kinderen per vrouw, de drempelwaarde die nodig is voor een stabiele vervanging van de generaties. In België is het geboortecijfer gedaald tot 1,6 in 2000.
...

De jongste dertig jaar daalde in België - en in heel West-Europa trouwens - het geboortecijfer. Volgens gegevens van de Verenigde Naties krijgt een Europese vrouw tegenwoordig gemiddeld 1,4 kinderen. Begin de jaren zeventig waren dat nog 2 kinderen, net onder de magische grens van 2,1 kinderen per vrouw, de drempelwaarde die nodig is voor een stabiele vervanging van de generaties. In België is het geboortecijfer gedaald tot 1,6 in 2000. Van een echt nataliteitsbeleid is momenteel geen sprake in ons land. Kinderen maken, is een persoonlijke beslissing van een koppel en staatsbemoeienis lijkt uit den boze. In 1996 gaf de Belgische overheid zo'n 4,1 miljard euro uit aan kinderbijslagen, of 3,75 % van alle overheidsuitgaven. In 2003 was dat nog slechts 3,4 % of 4,6 miljard euro. De uitgaven voor kinderbijslag gingen relatief gesproken dus achteruit, hoewel de Belgische kinderbijslag nog altijd tot de royaalste van Europa behoort. Frankrijk is in Europa een van de weinige landen die openlijk een nataliteitspolitiek voeren. Onze zuiderburen besteden 4,5 % van hun bruto binnenlands product (BBP) aan gezinsbeleid en doen daarmee beter dan gelijk welk ander Europees land. Op die manier daalde bij onze zuiderburen het geboortecijfer minder snel dan in de meeste andere Europese landen. Een fiscaal gunstig regime voor ouders met kinderen en een stevige kinderbijslag zijn de ingrediënten van het recept uit Parijs. Paradoxaal genoeg wijten sommigen het relatief hoge aantal geboorten ook aan de invoering van de 35-urige werkweek en de hoge jeugdwerkloosheid. Ook Zweden waagde zich in de jaren negentig aan een beleid om het geboortecijfer op te krikken. Het land maakte werk van een betere combinatie van carrière en gezin. Het zwangerschaps- en ouderschapsverlof werd fors opgetrokken tot in totaal twee jaar per kind, met behoud van 80 % van de wedde. Het geboortecijfer steeg weliswaar, van gemiddeld 1,4 tot 1,9 kinderen per vrouw, maar het effect was tijdelijk en doofde vanzelf weer uit. In België duurt het ouderschapsverlof maximaal 3 maand en is er een uitkeringsplafond op 500 euro. De Zweedse maatregel toepassen, zou voor België onbetaalbaar zijn, maar een gelijkstelling met het minimuminkomen zou bijvoorbeeld een stap in de goede richting zijn. Een andere piste is het financieel ondersteunen van de zorgarbeid binnen gezinnen. Dat laatste zou kunnen door het verlenen van een 'trekkingsrecht', een premie bovenop de kinderbijslag. Die premie kunnen gezinnen dan gebruiken om kinderopvang te betalen of juist om het inkomstenverlies door een tijdelijke carrièrestop te compenseren. Ook in de fiscaliteit zijn stimuli mogelijk. Momenteel kent België al een huwelijksquotiënt waarbij de inkomens van een gehuwd stel worden opgeteld. Je zou koppels met kinderen kunnen belonen omdat ze opnieuw bouwstenen voor de welvaartstaat aanleveren door het invoeren van een gezinsquotiënt naar Frans voorbeeld. Met een gezinsquotiënt worden de inkomsten van de mensen die onder een dak leven opgeteld en dan opnieuw verdeeld over het aantal personen dat daarvan moet leven. Uiteindelijk kan die aanpak ervoor zorgen dat er meer middelen vloeien naar de mensen die financieel verantwoordelijkheid nemen voor kinderen of inwonende ouders.