Vaak wordt beweerd dat jonge bedrijven het vatbaarst zijn om over de kop te gaan. Het Studiecentrum voor Ondernemerschap van de Hogeschool-Universiteit Brussel komt tot een totaal andere conclusie. "Het zijn eerder de bedrijven van zes tot veertien jaar die de meest kwetsbare groep vormen", zegt professor Johan Lambrecht. "De jongste jaren valt het in bepaalde sectoren zelfs op dat bedrijven van vijftien jaar of meer veel kwetsbaarder zijn voor een faillissement. De misvatting heeft wellicht te maken met een foute perceptie. Er moet immers een onderscheid gemaakt worden...

Vaak wordt beweerd dat jonge bedrijven het vatbaarst zijn om over de kop te gaan. Het Studiecentrum voor Ondernemerschap van de Hogeschool-Universiteit Brussel komt tot een totaal andere conclusie. "Het zijn eerder de bedrijven van zes tot veertien jaar die de meest kwetsbare groep vormen", zegt professor Johan Lambrecht. "De jongste jaren valt het in bepaalde sectoren zelfs op dat bedrijven van vijftien jaar of meer veel kwetsbaarder zijn voor een faillissement. De misvatting heeft wellicht te maken met een foute perceptie. Er moet immers een onderscheid gemaakt worden tussen een faling en een stopzetting van de activiteiten. Jongere bedrijven gaan sneller de zaak stoppen als het niet lukt, kwestie van een faillissement te vermijden." De studie gaat over tien jaar (1997-2007). Bij de starters, minder dan drie jaar oud, stopte amper 0,3 procent van de bedrijven wegens faling. Bij de oudere bedrijven stond de teller op 1 procent. De horeca, vooral bedrijven van vijftien jaar of ouder, is het meest gevoelig voor faling. In Brussel vallen meer bedrijven in handen van een curator dan in Vlaanderen of Wallonië. De studie peilt ook naar de oorzaken en naar de gevolgen van een faillissement. Een combinatie van factoren (intern, extern, persoonlijk) zorgt in de meeste gevallen voor de fatale klap. De meest genoemde interne oorzaak is een gebrekkig strategisch management. Bij de externe factoren gaat het vooral om wanbetalers. Bij de persoonsgebonden oorzaken zijn slechte opvolging of familieruzies vaak de oorzaak. Toch meent de helft van de ondervraagden dat één factor soms al voldoende is om het einde in te luiden. In de helft van alle falingen is er een spreekwoordelijke druppel - zoals het verlies van een rechtszaak - nodig om de handdoek in de ring te werpen. Een faling betekent meestal ook een persoonlijk trauma. "Failliete ondernemers hebben vaak geen vertrouwen meer in derden, trekken zich beschaamd terug, ervaren het faillissement als een persoonlijke veroordeling en vrezen de reacties van hun gezinsleden", zegt Lambrecht. "De failliete ondernemers hekelen ook het optreden van de curator, er gaapt een diepe kloof. Waar de failliete ondernemer vaak een zware psychische last blijft torsen, leven de curatoren in de overtuiging dat een faillissement iets alledaags is geworden, en dat steekt. De bedrijfsleiders storen zich aan de almacht van de curator, aan het feit dat hij hen vaak in het ongewisse laat, aan de wijze waarop hij de activa te gelde maakt, aan de gebrekkige kennis van de curator over het vakgebied en tot slot aan de langdurige afhandeling." De vorsers doen ook aanbevelingen: van curatoren die bemiddelaars moeten worden over faillissementsverzekeringen en betere herstartmogelijkheden tot een noodzakelijk en sluitend betalingsbevel tegen wanbetalers. K.C. Faillissement Meestal een gevolg van een combinatie van factoren.