De opeenvolgende regeringen in dit land deden (en doen) flink hun best om de ware omvang van ons werkloosheidsprobleem te verdoezelen. Dat ook andere Europese regeringen niet om kunstgrepen en statistische schuinsmarcheerderij verlegen zaten (en zitten) is slechts een magere troost. De realiteit is dat de werkloosheidssituatie in ons land moeilijk anders dan rampzalig kan worden genoemd. Los nog van de directe maatschappelijke en sociale problematiek die ze teweegbrengt, legt deze situatie een bom onder de toekomstige financierbaarheid van de sociale zekerheid, iets waar de huidige bewindvoerders in een grote boog omhee...

De opeenvolgende regeringen in dit land deden (en doen) flink hun best om de ware omvang van ons werkloosheidsprobleem te verdoezelen. Dat ook andere Europese regeringen niet om kunstgrepen en statistische schuinsmarcheerderij verlegen zaten (en zitten) is slechts een magere troost. De realiteit is dat de werkloosheidssituatie in ons land moeilijk anders dan rampzalig kan worden genoemd. Los nog van de directe maatschappelijke en sociale problematiek die ze teweegbrengt, legt deze situatie een bom onder de toekomstige financierbaarheid van de sociale zekerheid, iets waar de huidige bewindvoerders in een grote boog omheen laveren.Het reële werkloosheidspercentage in België bedraagt 15,7% van de beroepsbevolking, of 24,3%, en zeker niet een cijfer in de buurt van 10%, zoals uit de officiële statistieken zou moeten blijken. Zo geeft grafiek 1 aan hoe het aantal niet-werkende werkzoekenden de voorbije decennia evolueerde. Het enige verschil tussen deze cijferreeks en de officiële cijfers inzake werkloosheid betreft de oudere werklozen. Van 82.000 in 1971 klom het aantal niet-werkende werkzoekenden op tot ruim 673.000 dit jaar. Als we dit laatste cijfer uitdrukken in % van de beroepsbevolking, geeft dat 15,7%. Pas in september van dit jaar doken we onder het werkloosheidscijfer van januari vorig jaar. Uit grafiek 1 komt duidelijk naar voren dat van de ene conjunctuurbeweging naar de volgende de reële werkloosheid continu stijgt.Aan een werkloosheidspercentage van 24,3% - net niet één Belg op vier - komen we als we alle verdere kunstgrepen en speciale statuten, in het leven geroepen om de term werkloosheid te kunnen vermijden, opnieuw in de berekeningen opnemen. Dit doen we in bijgaande tabel (gegevens van 1996 omwille van de kwaliteit en de onderlinge coherentie van het beschikbare cijfermateriaal). In totaal raakt de werkloosheid met andere woorden 1.035.843 mensen. Twee specifieke, maar bijzonder relevante cijfers, onderlijnen dat ons land zelfs in de Europese context kampt met een relatief zwaar werkloosheidsprobleem. Enkel in Italië zijn er, uitgedrukt in % van de totale werkloosheid, meer langdurig werklozen dan in België. In 1996 stempelde 61,3% van de werklozen reeds langer dan één jaar. De jeugdwerkloosheid, uitgedrukt in % van de jonge, actieve bevolking, lag, ook in 1996, op 20,5%. Voor de hele Oeso-zone ( Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) bedroeg dit percentage 13,2% en voor de Europese Oeso-landen 18,3%. Ook op basis van de activiteitsgraad is het mogelijk om werkloosheid te analyseren. In de definitie van de Oeso betreft het hier het aantal tewerkgestelden uitgedrukt in % van de globale bevolking tussen 15 en 64 jaar. Zoals grafiek 2 aangeeft scoort België in dit verband ver onder het gemiddelde van de Europese Unie en onder dat van de globale Oeso-zone. Ook via deze activiteitsgraad komt de sterke tewerkstellingsprestatie van de Nederlandse economie in de voorbije jaren aan de orde. Daar waar Nederland in 1991 3%-punten onder de Belgische activiteitsgraad zat, zullen onze noorderburen ons volgend jaar voorbijsteken.GUY CLEMER, JOHAN VAN OVERTVELDT