Tot nog toe bleef de techno-elite onder de radar van de criticasters van de plutocratie. De betogers van Occupy Wall Street maakten een uitzondering voor de mensen die hen hun iPhones en iPads bezorgden. Dat verandert in 2014. De Silicon Valley-elite wordt niet langer beschouwd als een bende geeks die toevallig stinkend rijk zijn, maar als stinkend rijke lui die toevallig computerfreaks zijn.
...

Tot nog toe bleef de techno-elite onder de radar van de criticasters van de plutocratie. De betogers van Occupy Wall Street maakten een uitzondering voor de mensen die hen hun iPhones en iPads bezorgden. Dat verandert in 2014. De Silicon Valley-elite wordt niet langer beschouwd als een bende geeks die toevallig stinkend rijk zijn, maar als stinkend rijke lui die toevallig computerfreaks zijn. Tot dusver hebben zijn zich kunnen afschermen van zowel de fiscus als hun aandeelhouders. Mark Zuckerberg heeft 29,3 procent van Facebook in handen. Larry Ellison houdt 24 procent aan in Oracle. De grootste individuele investeerder in Exxon Mobil, heeft daarentegen slechts 0,04 procent van de aandelen. De geeks blijken ook meedogenloze kapitalisten te zijn. Tot voor enkele jaren was de nieuwe economie één grote speeltuin. Vandaag wordt ze gedomineerd door een handvol strak in de hand gehouden oligopolies. Google en Apple leveren meer dan 90 procent van de besturingssystemen voor smartphones. Facebook telt meer dan de helft van de Noord-Amerikanen en Europeanen onder zijn klanten. De heersers van cyberspace hebben er alles aan gedaan om hun aardse kosten te beperken. Ze hebben opmerkelijk weinig mensen in dienst: met een marktkapitalisatie van 290 miljard dollar is Google ongeveer zes keer groter dan GM, maar het telt slechts een vijfde van het aantal werknemers. Tegelijk spreidden de technomagnaten een groot enthousiasme tentoon, bankiers waardig, om subsidies binnen te rijven en vervolgens belastingen te ontduiken. Ze verloochenen steeds meer hun spartaanse verleden en strooien integendeel hun geld in het rond. De extravagante party's volgen elkaar op: op een van die technofuiven werd een 300 kilo zware tijger ten tonele gevoerd en poseerde een aap voor Instagram-foto's. Google heeft op een lokaal vliegveld een vloot privévliegtuigen en helikopters staan. De oligarchen zitten aan de top van een enorme geldcultuur: Silicon Valley brengt niet alleen miljardairs en miljonairs voort, maar ook duizenden jonge mensen die meer dan 100.000 dollar per jaar verdienen. De toptechneuten profileren zich ook in de politiek. Dat doen ze deels met opzet: ze maken gebruik van een legertje lobbyisten in Washington om hun belangen te ondersteunen. Technofiguren zijn zelfs begonnen met mediabedrijven op te kopen, zoals de Washington Post (Jeff Bezos) en de New Republic (Chris Hughes). Hun toenemende politieke betrokkenheid maakt van die plutocraten machtige vijanden. De rechterzijde is woedend over hun standpunt over immigratie. Anderen zijn boos omdat ze in bed duiken met de overheid. Iedereen met een behoorlijk stel hersens begint hen te beschouwen als hypocrieten: meer dan bereid een 'progressieve politiek' te omarmen, zoals strengere arbeids- en milieuregels, terwijl ze zelf de weinige industriële banen die ze creëren naar China exporteren. "Wij leven in een luchtbel", zegt Eric Schmidt, de voorzitter van Google. "En ik heb het dan niet over een techno- of waarderingsbubbel. Met bubbel bedoel ik: onze eigen wereldje." Dat wereldje werd beschermd tegen de volkswoede over ongelijkheid. Het doorprikken van die bubbel leidt in het komende jaar tot een van de grootste veranderingen in de politieke economie van het kapitalisme. De auteur is redacteur management en Schumpeter-columnist van The EconomistAdrian WooldridgeDe Silicon Valley-elite wordt niet langer beschouwd als een bende geeks die toevallig stinkend rijk zijn, maar als stinkend rijke lui die toevallig computerfreaks zijn.