De nulgroei van het Italiaanse bruto binnenlands product (bbp) in 2005 verraadt de aanhoudende benarde toestand van de economie. Een aantal ondernemingen, vooral in het noorden van het land, gedijt weliswaar, maar de ondernemingsleiders plaatsen hoe dan ook zaken als economische liberalisering en een verbetering van het beleid voor energie en infrastructuur bovenaan op hun wenslijstje. Ze zijn ook beducht voor de concurrentie uit China en andere opkomende markten. En ze willen dat er nauwkeuriger nagedacht wordt over onderzoek en ontwikkeling. Wat alle ondernemingsleiders echter in de eerste plaats wensen, is politieke stabiliteit en sterk leiderschap. En ze zijn niet erg optimistisch dat de verkiezingen van 9 en 10 april 2006 een van beide zal opleveren.
...

De nulgroei van het Italiaanse bruto binnenlands product (bbp) in 2005 verraadt de aanhoudende benarde toestand van de economie. Een aantal ondernemingen, vooral in het noorden van het land, gedijt weliswaar, maar de ondernemingsleiders plaatsen hoe dan ook zaken als economische liberalisering en een verbetering van het beleid voor energie en infrastructuur bovenaan op hun wenslijstje. Ze zijn ook beducht voor de concurrentie uit China en andere opkomende markten. En ze willen dat er nauwkeuriger nagedacht wordt over onderzoek en ontwikkeling. Wat alle ondernemingsleiders echter in de eerste plaats wensen, is politieke stabiliteit en sterk leiderschap. En ze zijn niet erg optimistisch dat de verkiezingen van 9 en 10 april 2006 een van beide zal opleveren. Hoewel Italië een van de grootste economieën ter wereld is, telt het amper 300 beursgenoteerde ondernemingen. De rest bestaat voornamelijk uit kleine familiebedrijven, waarvan een groot deel doende is met de productie van hemden, schoenen en auto-onderdelen, sectoren die nu belaagd worden door China en andere ontluikende markten. De ondernemingen zijn vaak te klein om voldoende te kunnen investeren in onderzoek, de rigiditeit van de arbeidsmarkt bemoeilijkt aanpassingen aan het personeelsbestand en er komen fusies tussen families die slechts node de controle uit handen willen geven maar moeizaam tot stand. Eerste minister Silvio Berlusconi heeft al herhaaldelijk aangevoerd dat zijn verwezenlijking - de langstlevende regering sinds 1945 - voor de nodige politieke stabiliteit gezorgd heeft. Enkele van de meest prominente ondernemingsleiders zijn het daar niet mee eens. Beide kanten van het politieke spectrum - centrumlinks wordt geleid door Romano Prodi - worden geplaagd door onhandelbare coalities met tegengestelde belangen, wat het beslissingsproces ten zeerste bemoeilijkt. Luca Cordero di Montezemolo, de voorzitter van Fiat, die tevens aan het hoofd staat van de werkgeversorganisatie Confindustria, heeft eveneens de aard van de gevoerde campagne aangeklaagd en kreeg daarvoor lik op stuk van Berlusconi. "Dit is de slechtste en langste verkiezingscampagne sinds de oorlog," zegt Montezemolo en hij voegt eraan toe dat de campagne, die gevoerd werd sinds de regionale verkiezingen van 2005, alleen maar 18 maanden van immobilisme heeft opgeleverd. "Wanneer u kijkt naar 90 % van de verschrikkelijke verkiezingscampagne, vindt u nauwelijks de woorden industrie en concurrentiekracht terug. Italië heeft nood aan onpopulaire en structurele hervormingen."Michele Prada, algemeen directeur van tegelfabrikant Marazzi, klaagt over het gebrek aan debat over zakelijke kwesties tijdens de campagne en zegt dat de politici te veel tijd besteden aan schandaaltjes. "Wie ook de verkiezingen wint, we hebben gewoon echte politieke stabiliteit nodig. Dat hebben we vele jaren niet gehad en dat knaagt aan om het even welk economisch beleid."Marazzi vond vertroosting door zichzelf om te vormen en groei te zoeken buiten de grenzen. De overgang die de onderneming in de voorbije jaren doormaakte, van familiaal bedrijf naar besloten aandelenvennootschap en uiteindelijk tot beursgenoteerde onderneming, vormt een mooie illustratie van het pad dat onvermijdelijk ook gevolgd zal worden door andere Italiaanse ondernemingen. De verkoop van aandelen aan het publiek bracht meer geld op voor acquisities in het buitenland en voor groei, vooral in China en de Verenigde Staten. Luxottica, dat samen met het eveneens Italiaanse Safilo zowat alle luxezonnebrillen ter wereld maakt, gedijde al evengoed door zich overal ter wereld te concentreren op de uitbreiding van de markt voor zijn producten en door een deel van zijn productie te herlokaliseren. Op zoek gaan naar mogelijkheden op andere markten is echter niet genoeg, zeggen leidinggevende zakenlui. Italië moet ook iets doen aan zijn povere prestaties op het vlak van het onderzoek. Massimo Sarmi, directeur-generaal van Poste Italiane, het Italiaanse postbedrijf, zegt dat er te veel instituten en programma's zijn die subsidies voor onderzoek geven. Dat is verwarrend voor de ondernemingen, die niet weten tot wie ze zich moeten wenden. Het zou beter zijn te focussen op specifieke gebieden, zoals de nano- of biotechnologie. Montezemolo: "De grote ondernemingen investeren heel wat in onderzoek, maar de andere bedrijven zijn daarvoor te klein. We hebben sterke banden tussen universiteiten en ondernemingen nodig."Italië staat voor zulke enorme economische uitdagingen, dat soms al te gemakkelijk vergeten wordt dat het land ook kan uitpakken met een aantal succesverhalen. Neem nu Geox, een schoenenfabrikant die sinds hij elf jaar geleden werd opgericht, een spectaculaire groei kende dankzij een ingenieus verkoopargument: zijn producten ruiken niet naar zweet. Door die innovatie slaagde de onderneming erin de bloedige aanvallen van Chinese en andere goedkope producenten op de Italiaanse schoennijverheid te counteren. Dat buitenlandse lagelonenoffensief leidde in het voorbije decennium al tot een daling van het aantal Italiaanse bedrijven van 8900 naar 7000 en het verlies van 24.000 banen. In 2005 klom de nettowinst van Geox met een adembenemende 43 % naar 75,3 miljoen euro. De onderneming is nu al actief in 68 landen, alleen omdat stichter en voorzitter Mario Moretti Polegato op het lumineuze idee kwam om schoenen te maken die uw voeten laten ademen. Finmeccanica is een ander voorbeeld. Ooit was het een log staatsconglomeraat, maar nu is het een van Europa's leidende defensie-, lucht- en ruimtevaartgroepen met een nadrukkelijke aanwezigheid in Groot-Brittannië, waar het in 2004 de volledige controle over AgustaWestland verwierf. Het is nu 's werelds grootste helikopterbouwer en heeft zopas een prestigieus contract ingepikt voor leveringen aan de Amerikaanse presidentiële helikoptervloot. Een derde voorbeeld is Lottomatica, een privéloterijbedrijf. In januari 2006 werd het het grootste ter wereld, toen het 4,65 miljard dollar betaalde voor het Amerikaanse G-Tech Holdings. Intussen heeft de Italiaanse financiële sector zo goed als een revolutie meegemaakt in de drie maanden nadat Mario Draghi benoemd werd tot gouverneur van de Banca d'Italia. Draghi is een gerespecteerd financieel expert die onder meer toezicht hield op het Italiaanse privatiseringsprogramma in de jaren negentig. Hij vervangt Antonio Fazio, wiens toenemende autocratische stijl en klaarblijkelijke vastberadenheid om te verhinderen dat buitenlandse banken een Italiaanse kredietmaatschappij zouden verwerven in juli 2005, uitmondde in een schandaal over zijn steun aan de poging van de Banca Popolare Italiana om de Banca Antonveneta weg te kapen onder de neus van het Nederlandse ABN Amro. Sinds het vertrek van Fazio werd de Italiaanse banksector eindelijk opengebroken en lijkt consolidatie onderweg. ABN Amro is bezig met de overname van Antonveneta en het Franse BNP Paribas staat op het punt om de Banca Nazionale del Lavoro in te palmen. Het is bemoedigend dat de Italiaanse regelgevers de evolutie verwelkomen. "Als een bank besluit om in Italië een andere bank op te slorpen, dan zou dat, gezien de lange periode waarin de markt stilstond, vanuit concurrentieoogpunt een goede zaak zijn," zegt Antonio Catricala, de voorzitter van de Italiaanse antitrustautoriteit. Italiaanse ondernemingen hebben ook stappen ondernomen om hun standaards voor corporate governance te verbeteren sinds de desastreuze miljardenfraude bij voedings- en zuivelgroep Parmalat en de eerdere staking van betaling bij de voedingsonderneming Cirio. De praktijk in verband met openbaarmaking, de rechten van de minderheidsaandeelhouders en de wetten op insolventie werden verbeterd. Terzelfder tijd werd de macht van de beurswaakhond Consob uitgebreid. Sommige vroegere regelgevers maken zich weliswaar zorgen dat Consob - dat in het verleden maar weinig middelen toegeschoven kreeg - nu te veel verantwoordelijkheid moet dragen, maar heel wat bedrijven geven toe dat het eerder aan hen is om te bewijzen dat ze hun werkwijze kunnen hervormen. Copyright Financial Times Tony Barber Adrian Michaels