Hoe geërgerd moeten de alumni van de Vlerick Leuven Gent Management School niet zijn wanneer ze de jaarlijkse rangschikking bekijken van de honderd beste managementscholen die de Financial Times publiceert (zie ook www.trends.be). De Vlaamse managementschool is er in de verste verte niet te bekennen. Twee Nederlandse scholen zijn wel aanwezig in de tophonderd: Rotterdam Management School en Nyenrode. Maar de algemene trend is duidelijk: de niet-Amerikaanse scholen zijn een minderheid geworden in de rangschikking. De logische conclusie zou dus zijn dat u voor een degelijk MBA-programma best naar de States gaat....

Hoe geërgerd moeten de alumni van de Vlerick Leuven Gent Management School niet zijn wanneer ze de jaarlijkse rangschikking bekijken van de honderd beste managementscholen die de Financial Times publiceert (zie ook www.trends.be). De Vlaamse managementschool is er in de verste verte niet te bekennen. Twee Nederlandse scholen zijn wel aanwezig in de tophonderd: Rotterdam Management School en Nyenrode. Maar de algemene trend is duidelijk: de niet-Amerikaanse scholen zijn een minderheid geworden in de rangschikking. De logische conclusie zou dus zijn dat u voor een degelijk MBA-programma best naar de States gaat. Tenzij de rangschikking geen getrouwe weergave van de realiteit is. En daar valt wel wat voor te zeggen. De methodologie die de Financial Times hanteert, vertoont op zijn minst een paar gebreken. De zakenkrant voert het onderzoek al vier jaar uit en doet dat op een zeer conservatieve manier. De hitparade is het gevolg van een enquête bij 149 business schools en bij een aantal van hun alumni. Om als nieuwkomer in de hitparade te komen, moet je al over stevige geloofsbrieven beschikken. Ter illustratie: de rangschikking van 2002 telt slechts tien nieuwkomers. Dat sommige scholen sterk scoren, heeft te maken met een gerichte politiek: alumni worden al tijdens hun opleiding echt getraind om reclame te maken voor hun universiteit. En sommige Amerikaanse universiteiten trekken slechts weinig buitenlanders aan, terwijl een internationaal karakter een sterke troef zou moeten zijn. Bovendien lopen vergelijkingen tussen instellingen vaak mank. Sommige instellingen - zoals het Zwitserse IMD - richten zich vooral op studenten die al een zekere beroepservaring hebben op het vlak van management. Het is dus niet verwonderlijk dat insiders het belang van zo'n lijst niet echt hoog inschatten. Toch geven ze toe dat er wel degelijk zeer prestigieuze instellingen bestaan met een stevige reputatie. Harvard, Chicago, Stanford, Insead: het zijn ronkende namen en daar zal niet snel verandering in komen. Niettemin is dat nog iets anders dan zo'n tophonderd als evangelie aannemen. Maar zo'n rangschikking mist intussen zijn effect niet. Jean Van den Eynde (voorzitter Belgische Harvard-alumni, zie blz. 72) formuleert het als volgt: "Zo'n rangschikking wordt een self-fulfilling prophecy. De scholen die in zo'n referendum bovenaan komen te staan, zullen automatisch de sterkste krachten aantrekken." De aandacht die de hogescholen besteden aan het onderhouden van het netwerk sluit daarbij aan Als je in je alumni-netwerk een aantal grote namen kan opnemen, kunnen er hogere criteria worden gesteld aan de selectie van studenten. En dus trek je opnieuw de beste krachten aan. Het is dus zoals met alle producten: je bouwt er een merk mee op. Hebben ze bij Vlerick dan gelijk als ze zitten te kniezen? Ja en neen. Vlerick heeft zelf een merknaam opgebouwd, maar die beperkte zich altijd tot het Vlaamse territorium. Dat heeft zijn voordelen, maar ook zijn nadelen. Een Vlaamse ondernemer die een cursus volgde bij IMD zei ons onlangs: "Als bij Vlerick een Waal een programma komt volgen, denken ze dat ze internationaal bezig zijn." Als Vlerick wat meer internationale uitstraling wil krijgen, is een plaatsje in een tophonderd van MBA-programma's wellicht onvoldoende. De school zal dan ook haar imago van lokale managementkweekvijver van zich af moeten gooien. De vraag is of Vlerick daartoe bereid is.Alain Mouton [{ssquf}]