Volgens een studie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) blijft de te verwachten toename voor wettelijke pensioenen in België van nu tot in 2050 beperkt tot een stijging tussen de drie en de vier procentpunten van het bruto binnenlands product (BBP). België behoort daarmee tot de besten (samen met de Verenigde Staten, Oostenrijk en Frankrijk), en doet het zelfs een stuk beter dan Duitsland. Verrassend is ook dat ons land heel wat hoger scoort dan Nederland, dat met zes procentpunt op een pensioendeficit afstevent dat bijna dubbel zo groot is als het Belgische. De cijfers van deze studie zijn afkomstig van België zelf, en komen overeen met de cijfers die het Federaal Planbureau onlangs publiceerde.
...

Volgens een studie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) blijft de te verwachten toename voor wettelijke pensioenen in België van nu tot in 2050 beperkt tot een stijging tussen de drie en de vier procentpunten van het bruto binnenlands product (BBP). België behoort daarmee tot de besten (samen met de Verenigde Staten, Oostenrijk en Frankrijk), en doet het zelfs een stuk beter dan Duitsland. Verrassend is ook dat ons land heel wat hoger scoort dan Nederland, dat met zes procentpunt op een pensioendeficit afstevent dat bijna dubbel zo groot is als het Belgische. De cijfers van deze studie zijn afkomstig van België zelf, en komen overeen met de cijfers die het Federaal Planbureau onlangs publiceerde. Pensioenparadijs. Eerlijk gezegd, gaf dit me een schok. Als die cijfers waarachtig en geloofwaardig zijn, is België hét voorbeeld van een land dat een enorm wettelijk pensioenprobleem onder controle heeft gekregen. Nog merkwaardiger: dat alles zou ongemerkt gebeurd zijn, zonder dat argwanende ogen dit opgemerkt zouden hebben. Had Caesar het toch bij het rechte eind toen hij schreef: Horum omnium fortissimi sunt Belgae (Van al die stammen zijn de Belgen de strafsten.) België heeft de pensioenleeftijd verhoogd, in het bijzonder voor vrouwen, en is geleidelijk aan met de afbouw van overvloedige brugpensioenen bezig. Deze recente maatregel is belangrijk en onomkeerbaar. De Oeso-studie wijst er wel op dat de Belgische afhankelijksheidsratio's (de verhouding van de 65-plussers tot de werkende bevolking) een stuk hoger liggen dan die van de andere Europese landen, en even hoog als in Nederland. Dat uitgangspunt is voor België dus niet bepaald positief. De theoretische pensioenleeftijd ligt in België - zoals in andere landen - op 65 jaar, maar de feitelijke pensioenleeftijd bedraagt 58 jaar voor mannen, en is nóg lager voor vrouwen. We zién er beter uit dan de meeste landen, maar scoren magerder. De tewerkstelling van oudere werkers in de VS ligt rond de 52%, in de Scandinavische landen rond de 45%, en in België rond de 27%. Ook dat is echt niet gunstig.Als we de door de Oeso aanbevolen mechanismen om de pensioenschuld te controleren bekijken, dan heeft België net als andere landen zijn indexeringsmechanisme van de pensioenen (door de invoering van de gezondheidsindex) teruggeschroefd. Het heeft eveneens getracht zijn uitgaven voor gezondheidszorg in te tomen. Maar België is nauwelijks de weg opgegaan van vaste bijdrageschema's van het 401K-type, zoals de Oeso aanbeveelt. Het heeft enkele fondsen opgericht, zoals het pensioenfonds voor de stad Antwerpen en het fonds van Belgacom - maar dat was een voorwaarde voor de verkoop aan internationaal genoteerde bedrijven, geen autonome beslissing van België. Pas heel recentelijk heeft België enkele aarzelende maatregelen genomen om de versterking van de tweede en de derde pijler ( nvdr - respectievelijk bedrijfspensioenfondsen en individueel pensioensparen) na te streven. Of de sectorpensioenfondsen evenveel miljarden zullen verzamelen als strekkende meters tekst in kranten en tijdschriften, valt nog te bezien. In blaadjes van de verzekeringssector lezen we rapsodieën over de nieuwe sectorpensioenen van de tweede pijler! Maar iedereen die hier wat dichter bij staat, weet ook dat het hoofdzakelijk om een principiële beslissing gaat die maar in een zeer beperkt aantal traditionele sectoren kan worden toegepast. En die weet ook dat er aan vakbondszijde weinig enthousiasme is om deze sectorpensioenen (in een bijzonder onaantrekkelijke spaarvorm verpakt) aan de leden te verkopen. De werknemers vragen liever kas dan een zoveelste belofte in een weinig transparant systeem. Wie geeft hen ongelijk? Toverformules. Zijn de gunstige Belgische cijfers dan leugens? Neen, maar ze zijn wel gebaseerd op twee, ver in de toekomst doorgetrokken, 'moedige' beleidsbeslissingen van de opeenvolgende Belgische regeringen. Ze houden zeker ook geen rekening met het effect op de toekomstige pensioenbetalingen van de versnelde immigratie die we vandaag meemaken. Ten eerste, de uitkeringsgrenzen van de pensioenberekening, die bepalen hoeveel pensioen iemand later zal ontvangen, blijven begrensd, terwijl de pensioenbijdragen volgens de bruto-inkomens stijgen. Iedereen zal dus meer en meer betalen om hetzelfde te krijgen. Dat maakt dat steeds meer burgers tot meer solidariteit opgeroepen worden, terwijl ze die niet verwachten. Of liever, velen werden uitverkoren, maar weinigen voelen zich geroepen. Ten tweede, ingegane pensioenen voor werknemers en zelfstandigen zijn gekoppeld aan de gezondheidsindex - en houden dus geen compensatie in voor reële loonstijgingen of voor olieprijsstijgingen. Deze twee mechanismen zijn ongetwijfeld de belangrijkste verklaringen van de positieve Belgische cijfers.Als men wil voorkomen dat mensen bij het begin van hun pensioenleeftijd plots voor een zeer sterke terugval van hun beschikbare inkomen staan, kortom om de solidariteit draagbaar te maken, schreeuwt de plafonering van de uitkeringsgrens om gemakkelijk toegankelijke, transparante en flexibele regelingen van veralgemeende aanvullende pensioenen. Dát is wat de Oeso predikt, maar dat is in België nog niet doorgedrongen.De regeling die gecreëerd werd voor de sectoren is niét voor iedereen toegankelijk. De sociale partners (onderhandelaars) voelen zich niet verantwoordelijk voor de werknemers van de kleine bedrijven waar ze geen vat op hebben. De regeling is niet transparant: de deelnemer moet het allemaal maar geloven, elk jaar krijgt hij een onbegrijpelijk document, kortom hij twijfelt eraan of het 'zijn' geld is. De regeling is ook niet flexibel: sommige mensen hebben geërfd, geluk gehad, hard gewerkt, en zij willen dus niet extra sparen. Anderen hebben tegenslag gehad, zijn uit de echt gescheiden, hebben een ongeval of faillissement meegemaakt en moeten nog een grote inspanning doen. Kortom, een regeling van eenzelfde procent voor iedereen voldoet niemand, tenzij de bobo's.Er moet nog hard aan de weg getimmerd worden voordat de pensioenen van de echte Belgen zo veilig zullen zijn als de cijfers van het Federaal Planbureau doen uitschijnen.De auteur is buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en voorzitter van de Vlaamse Federatie van Beleggers.EMIEL VAN BROEKHOVEN