Er bestaan veel verklaringen voor het langzame herstel na de crisis. Volgens sommige economen zijn we door de vergrijzing meer gaan sparen. Volgens anderen staan we voor een zogenaamde secular stagnation, een lange periode van lage groei. Nog anderen stellen dat de productiviteit niet meer toeneemt, of dat de technologische innovatie vertraagt. Hoe de uitleg ook gaat, één ding komt telkens terug: we investeren niet genoeg.
...

Er bestaan veel verklaringen voor het langzame herstel na de crisis. Volgens sommige economen zijn we door de vergrijzing meer gaan sparen. Volgens anderen staan we voor een zogenaamde secular stagnation, een lange periode van lage groei. Nog anderen stellen dat de productiviteit niet meer toeneemt, of dat de technologische innovatie vertraagt. Hoe de uitleg ook gaat, één ding komt telkens terug: we investeren niet genoeg. De Nationale Bank van België (NBB) legt in haar jongste jaarrapport de vinger op diezelfde zere plek. De investeringen in de eurozone liggen nog altijd lager dan voor de crisis, wat "voor een aanzienlijk deel de ernst van de recessie en het moeizame economische herstel verklaart". De daaruit volgende diagnose klinkt hard: "Een laag investeringsniveau drukt niet enkel de vraag, het ondermijnt ook het groeipotentieel van de economie op lange termijn." Bij de Belgische bedrijven zijn er volgens de Nationale Bank voorzichtige tekenen van beterschap. Zo was vorig jaar enerzijds sprake van een lichte toename van de investeringen, met dank aan het herstel in het ondernemersvertrouwen en de lage rente. Anderzijds gingen bedrijven nauwelijks nieuwe schulden aan. Bedrijven investeren dus wel, maar met de handrem op. Trends dook in de jaarverslagen van de veertig industriële toppers op de beurs van Brussel sinds het begin van dit decennium met de vraag of dat beeld ook geldt voor de bedrijven waar we allemaal mede-eigenaar van kunnen worden, of sommigen onder u misschien al zijn. De resultaten tonen wie toch koppig bleef investeren in de toekomst, zelfs tijdens een crisis die de eurozone op haar grondvesten deed daveren. En wat na vandaag? Wie zal de komende jaren vooral voor de schuldeisers moeten werken en wie heeft nog ruimte om te investeren? De veertig bedrijven investeerden vorig jaar samen ruim 21 miljard euro, zo leert een optelsom van alle kasstromen uit de investeringsactiviteiten die u in de jaarrapporten terugvindt. Dat is dubbel zoveel als in 2010. En toch is 2015 daarmee geen grandcrujaar. De investeringen trokken al in 2011 aan, maar het investeringsritme versnelde nadien niet noemenswaardig. Nochtans klaarde het economische plaatje de jongste jaren stevig op (zie grafiek De evolutie van de investeringen). In absolute cijfers zijn AB InBev en Engie veruit de grootste investeerders op het Brusselse koersenbord. Hun investeringsbudgetten zijn net als hun beurswaarde een paar maatjes groter dan dievan de rest van de Brusselse beurs. AB InBev bijvoorbeeld nam in 2012 de Corona-moeder Modelo over voor 20 miljard dollar. En dat bleek nog maar een opwarmertje voor de overname van SABMiller voor ruim 100 miljard dollar, die vanaf volgend jaar in de boeken zal verschijnen. Enkel Solvay wist zich vorig jaar - bij hoge uitzondering - tussen Engie en AB InBev te nestelen door voor 5,8 miljard euro zijn sectorgenoot Cytec over te nemen. Maar zelfs na die monsterdeal lagen de investeringen bij de Belgische chemietrots de afgelopen jaren gemiddeld een pak lager dan bij die twee zwaargewichten. Proximus deed geen spectaculaire overnames zoals AB InBev of Solvay, maar staat als telecomspeler wel elk jaar opnieuw voor zware investeringen om zijn netwerk op peil te houden. De afgelopen jaren bedroegen de netto-investeringen gemiddeld zo'n 800 miljoen euro per jaar, een fiks bedrag maar niet voldoende voor een podiumplaats (zie tabel De grootste tien investeerders in miljoen euro). Om die cijfers in perspectief te plaatsen: het mediaanbedrijf, het middelste in een rangschikking van groot naar klein, investeerde vorig jaar 67 miljoen euro. Dat is nauwelijks 2 miljoen meer dan dat hetzelfde fictieve mediaanbedrijf gemiddeld sinds 2010 investeerde. Nog een signaal dat 2015 geen versnelling in de investeringen bracht. Opvallend: vorig jaar hielden liefst acht bedrijven geld over aan hun investeringsactiviteiten. Zij deden met andere woorden meer activiteiten van de hand dan er geïnvesteerd werd. De jaren voordien lag dat aantal beduidend lager. Sterker nog: bedrijven die netto desinvesteerden waren tot vorig jaar veeleer de uitzondering. Ook een desinvestering kan natuurlijk de weg openen naar een betere toekomst. Maar het vertelt ook dat bedrijven wellicht niet onmiddellijk beterschap verwachten, en daarom activiteiten stopzetten. Exmar bijvoorbeeld trok onder meer de stekker uit een project voor een drijvende gasfabriek in Canada, omdat de afnemer afhaakte door de lage olie- en gasprijs. De stijging van de desinvesteringen is mogelijk ook een signaal dat meer bedrijven denken beter gewapend te zijn voor de toekomst als ze kleiner zijn, met een sterkere focus. Denk aan Barco, dat zijn tak Defence & Aerospace van de hand deed. Alleen Resilux trok zijn investeringen de afgelopen jaren systematisch op, toch in absolute termen. De producent van voorvormen voor petverpakkingen trok voluit de kaart van Airolux, een revolutionaire spuitbus met lucht in plaats van schadelijke drijfgassen. Maar Resilux werd eerder dit jaar uitgekocht door zijn Nederlandse partner, nog voor de joint venture winstgevend was. Absolute bedragen vertellen natuurlijk veel, maar niet alles. Om een beter idee te krijgen van het investeringsgedrag van de ondernemingen kijken we naar de investeringen in procent van de omzet (zie tabel De grootste tien investeerders in procent van de omzet). Dat vertelt u welk deel van alle opbrengsten de bedrijven investeren, wat toelaat de investeringen los van de omvang van het bedrijf te zien. Opnieuw oogt het plaatje niet zo rooskleurig. Ons fictieve mediaanbedrijf - dat helpt abstractie te maken van alle uitschieters - investeerde vorig jaar 4,9 procent van zijn omzet, dat is beduidend minder dan het gemiddelde sinds 2010. En helaas is die daling niet te verklaren door een noemenswaardige stijging van de omzet. Ook hier zien we dus geen versnelling in de investeringen, dat extra duwtje in de rug dat onze economie uit het sukkelstraatje zou kunnen leiden. Aan de andere kant hield een pak bedrijven wel een min of meer stabiel investeringsritme aan. Naast Melexis zijn er nog twaalf industriëlen die elk jaar opnieuw meer dan 5 procent van de omzet investeerden. Op het eerste gezicht lijkt Ablynx de grootste investeerder de afgelopen jaren, maar onderzoek naar nieuwe medicijnen vraagt nu eenmaal zware investeringen, terwijl daar in de ontwikkelingsfase nauwelijks omzet tegenover staat. Euronav prijkt op de tweede plaats, maar dankt zijn hoge gemiddelde aan het uitzonderlijke jaar 2014, waarin het zijn tankervloot drastisch uitbreidde. Elia daarentegen investeert jaar na jaar een kwart tot een derde van zijn omzet. De overheid bepaalt de tarieven die de beheerder mag vragen voor het gebruik van zijn netwerk. En het is natuurlijk een stuk makkelijker investeren als je zeker van je inkomsten bent. Elia plant de lijn van de voorbije jaren door te trekken. De natuurlijke monopolist - je kunt moeilijk twee elektriciteitsnetwerken naast elkaar bouwen - lanceerde vorige maand een fors investeringsprogramma van liefst 5,7 miljard euro, geld voor onder meer betere verbindingen met het buitenland. Maar wat met de andere bedrijven? Wie heeft de mogelijkheden net als Elia ambitieuze plannen te lanceren? Of wie staat het water aan de lippen? We gaan ten eerste na wie ruimte heeft om investeringen zelf te financieren, want het is natuurlijk makkelijker een versnelling hoger te schakelen als je niet eerst bij de banken of de beleggers moet langslopen. Ten tweede kijken we naar de solvabiliteit. Zo weten we wie eventueel nog ruimte heeft om verse schulden aan te gaan (zie grafiek Welke bedrijven hebben centen om te investeren?). Om een zicht te krijgen op de graad van autofinanciering zetten we de schulden af tegenover de nettokasstroom, het geld dat het bedrijf vorig jaar overhield aan zijn activiteiten na de betaling van alle kosten. Dat getal vertelt u met andere woorden hoeveel jaar het zou duren om alle schulden terug te betalen met de cashflow van vorig jaar. Dat is belangrijk, want wie in theorie snel zijn schulden kan inlossen, kan zijn geld evengoed - of misschien wel beter - besteden aan nieuwe projecten Voor een inschatting van de solvabiliteit zetten we het eigen vermogen af tegenover het balanstotaal. Dat percentage vertelt u hoeveel van zijn activiteiten een bedrijf financiert met eigen middelen. Hoe hoger de uitkomst, hoe meer schulden het bedrijf nog kan aangaan zonder de toekomst in het gevaar te brengen. Op de grafiek zien we zo dat bedrijven rechtsboven de bedrijven zijn met de meeste financiële slagkracht. Hoe meer een bedrijf rechtsboven noteert, hoe meer ruimte er is voor investeringen of overnames. Concreet kan het merendeel van de bedrijven zijn schulden binnen zes jaar aflossen en financiert het zijn activiteiten voor 30 procent of meer uit eigen vermogen. Die nulpunten zijn niet willekeurig gekozen. Trends maakte in 2004 al eens dezelfde oefening. De grafiek zag er toen substantieel anders uit. De helft van de onderzochte bedrijven had toen meer dan zes jaar nodig om zijn vreemd vermogen terug te betalen en belandde daardoor onder de horizontale as. Het is een cliché, maar door de crisis is het alleen nog maar versterkt: België is een land met een arme overheid, maar met sterke bedrijven. Vandaag moet het mediaanbedrijf amper meer dan een jaar werken om al zijn schulden af te lossen. Ook de gemiddelde solvabiliteit van dik 40 procent vertelt dat bedrijven ook niet tot over hun oren in de schulden zitten. Het gebrek aan investeringen is met andere woorden geen kwestie van centen. Wat schort er dan wel? Investeren blijkt eens te meer vooral een zaak van vertrouwen en de juiste marktomgeving, van ideeën en interessante projecten, van durf en ondernemerszin. Jasper VekemanInvesteren is geen kwestie van centen, maar van vertrouwen en de juiste marktomgeving, van ideeën en interessante projecten, van durf en ondernemerszin.