Op de Trends-website vindt u het voorontwerp van de belastingaftrek voor risicokapitaal.
...

Op de Trends-website vindt u het voorontwerp van de belastingaftrek voor risicokapitaal.De coördinatiecentra moeten van de Europese Commissie geleidelijk verdwijnen omdat ze de concurrentie vervalsen. Als alternatief legt de regering eind februari een uitgewerkt voorstel voor een belastingaftrek voor risicokapitaal op tafel. Elk bedrijf dat een investering uit eigen zak betaalt, krijgt vanaf volgend jaar een fiscale vrijstelling (de zogenaamde notionele interest). Zo wil de overheid de huidige discriminatie tussen vreemd en eigen vermogen wegwerken om investeringen te financieren. De interesten op geleend geld mogen nu al van de belastbare winst worden afgetrokken. De idee spruit voort uit het brein van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO). De werkgeversorganisatie wacht al lang op een vervanger voor de coördinatiecentra, maar een afgeslankte en niet-discriminerende versie van het gunstregime - de financiële onderneming - laat op zich wachten. Ondanks alle positieve verklaringen uit het verleden heeft de Europese Commissie nog altijd geen definitieve goedkeuring gegeven aan het Koninklijk Besluit van 16 mei 2003. Daarom schaarde het paarse kabinet van Verhofstadt II zich eind vorig jaar principieel achter de invoering van een notionele interest om het uitvlaggen van buitenlandse groepen tegen te houden en nieuwe investeringen aan te trekken. Met deze primeur bijt België op het vlak van de fiscaliteit eindelijk nog eens de spits af in de Europese Unie. Naar verluidt vertonen onze buurlanden al belangstelling voor deze revolutionaire hervorming van de vennootschapsbelasting. Bedrijven financieren zichzelf op twee manieren. Enerzijds lenen ze bij banken of aandeelhouders. Binnen bepaalde grenzen kunnen ze die interesten van hun winsten aftrekken. Anderzijds stoppen eigenaars ook eigen centen in hun onderneming. Hiervoor krijgen ze een vergoeding (dividend). Maar op die winst worden vennootschapsbelastingen (24,98 of 33,9 %) en roerende voorheffing (15 of 25 %) betaald. Een belastingaftrek voor eigen vermogen stimuleert nu de bedrijfsleiders om meer eigen kapitaal in de onderneming te stoppen. Volgens het oorspronkelijke voorstel zou een bedrijf met een eigen vermogen van 100.000 euro 8250 euro van zijn belastbare winst mogen aftrekken. Dat fiscale voordeel kan van het ene naar het andere boekjaar worden overgedragen. Een bedrijf reserveert dan 8250 euro ofwel voor verdere investeringen ofwel voor zijn aandeelhouders, zonder dat daarop vennootschapsbelasting moet worden betaald. Als de onderneming een dividend uitkeert, wordt de inbrenger van het risicokapitaal (de aandeelhouder) voor het aftrekbare bedrag fiscaal op dezelfde voet behandeld als de geldschieter (bank of obligatiehouder). Maar op een uitgekeerd dividend moet hij natuurlijk nog altijd roerende voorheffing betalen. Samen met VUB-professor Jef Vuchelen maakte het VBO een raming van de vermoedelijke kostprijs voor de overheid: 1,1 miljard euro. Hierbij ging de werkgeversorganisatie uit van een notionele interest van 8,25 %. Volgens de economische theorie is de kost van risicokapitaal immers gelijk aan de som van de risicovrije langetermijnfinanciering (4,25 %) plus een risicopremie (4 %). Maar het VBO rekent ook op een terugverdieneffect van meer dan een half miljard euro: 209 miljoen euro: toename van de roerende voorheffing op de uitgekeerde dividenden; 115 miljoen euro: toename van BTW en accijnzen op de uitgaven van de aandeelhouders die een groter dividend hebben ontvangen; 25 miljoen euro: toename van de inkomsten uit de vennootschapsbelasting gegenereerd door de bijkomende gereserveerde middelen; 154 miljoen euro: toename van de fiscale en parafiscale ontvangsten en vermindering van de kosten van de werkloosheid door de creatie van 4816 bijkomende arbeidsplaatsen. Per saldo kost de maatregel dus 600 miljoen euro. Om het resterende saldo voor de schatkist draaglijk te maken, stelde de werkgeversorganisatie een stapsgewijze invoering voor, namelijk voor de KMO's vanaf 2004 en in twee latere fasen voor alle ondernemingen (bijvoorbeeld 50 % in 2005 en 100 % vanaf 2006). Maar budgettaire beperkingen holden het oorspronkelijke voorstel flink uit. Vandaag spreekt de interkabinettenwerkgroep, die het concrete wetsontwerp opstelt, alleen van een notionele interest van 3,66 % (de huidige rentevoet van staatsobligaties op tien jaar). Ze voorziet geen vergoeding meer voor het eigen vermogen dat aan het ondernemingsrisico onderworpen is. Dat betekent meer dan een halvering van het voordeel (en dus van de kostprijs). Bovendien is de maatregel bijzonder complex. Zo moet u van het eigen vermogen dat in de boekhouding staat, verschillende elementen aftrekken om de basis voor de belastingaftrek te berekenen. Het eigen vermogen moet bijvoorbeeld verminderd worden met de nettoboekwaarde van de deelnemingen in eigen dochtermaatschappijen, om dubbel gebruik via holdings (cascadesysteem) of het kunstmatig opkrikken van eigen vermogen te vermijden. Ook geldt de fiscale aftrek niet voor 'buitensporige' uitgaven die niets met de economische activiteiten van het bedrijf te maken hebben. Vraag is hoe je deze uitzonderingen in de praktijk gaat toetsen. Voorts komen passieve investeringen in juwelen, edele metalen en kunstwerken niet in aanmerking. Het is dus nog niet meteen duidelijk of patrimoniumvennootschappen onder de beperking zullen vallen. De grond van een bedrijf dat een landbouwactiviteit uitoefent, hoort niet onder de beperking, net zoals juwelen en kunstwerken van vennootschappen die daar handel in drijven. Daarnaast laat de voorlopige tekst geen aftrek toe voor het eigen vermogen dat toebehoort aan een buitenlandse vestiging van de onderneming. Dat is het geval wanneer een vennootschap over een zogenaamde 'vaste inrichting' beschikt in het buitenland, die geen afzonderlijke rechtspersoonlijkheid bezit en waarvan de inkomsten vrijgesteld zijn van belastingen in België. Het eigen vermogen van de vennootschap dat zich als risicokapitaal in zo'n vaste inrichting bevindt, telt dus niet voor de berekening van de notionele interest. Ten slotte vallen de eenmanszaken uit de boot. Deze beperking ligt de zelfstandigen zwaar op de maag. Zij hebben nog niet de vorm van een vennootschap aangenomen, en betalen de hogere tarieven van de personenbelasting en de sociale zekerheid. Het gevaar bestaat nu dat een eenmanszaak de maatregel bij het Arbitragehof aanklaagt wegens ongeoorloofde discriminatie. Volgens de overheid kunnen KMO's nu makkelijker projecten financieren zonder hun solvabiliteit aan te tasten. Zo zijn deze vennootschappen beter beschermd tegen een mogelijk faillissement of delokalisatie. "Voor één keer hebben wij niets dan lof," zegt advocaat Jozef Lievens, bestuurder van het Instituut voor het Familiebedrijf. Toch plaatst de Unie van Zelfstandige Ondernemers (Unizo) kanttekeningen bij de aftrekbare interest op het eigen vermogen. Fiscaal adviseur Jan Heylen: "De maatregel komt vooral de grote ondernemingen ten goede, die 91 % van de eigen middelen in ons land vertegenwoordigen. Bovendien zijn KMO's over het algemeen eerder arbeids- dan kapitaalintensief, zodat hun voordeel relatief beperkt blijft. Ook vergoedt de notionele interest de aandeelhouder voor het bestaande eigen vermogen. Er is geen rechtstreekse stimulans voor de toename van het kapitaal of de solvabiliteit. Zo bevordert de maatregel onrechtstreeks de uitkering van winsten (dividenden) in plaats van autofinanciering." Heylen vreest ook dat het uitzuiveren van het eigen vermogen van een bedrijf met deelnemingen in andere vennootschappen een complexe operatie zal worden. Maar het zit Unizo vooral dwars dat de regering in ruil voor de notionele interest de investeringsreserve - haar eigen voorstel van drie jaar geleden - en het belastingkrediet wil afschaffen. Dankzij dit fiscale gunstregime kunnen KMO's sinds het aanslagjaar 2004 hun winsten belastingvrij reserveren voor een maximum van 18.750 euro. Maar deze maatregel valt moeilijk te combineren met de belastingaftrek voor risicokapitaal, omdat ze hetzelfde doel beoogt: de versterking van het eigen vermogen. "KMO's betalen het gelag," bevestigt accountant Jan Verhoeye. De docent aan de Hogeschool Gent en lid van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen geeft een voorbeeld: "Neem een gemiddelde KMO met een eigen vermogen van 50.000 euro en een belastbare winst van 37.500 euro. Op het actief van de onderneming staat een participatie van 15.000 euro in een dochtervennootschap. Bovendien beschikt het bedrijf over niet-beroepsmatige goederen - bijvoorbeeld kunstwerken in de inkomhal - met een boekwaarde van 5000 euro. Dan is de basis voor de belastingaftrek voor risicokapitaal 30.000 euro. Op dat bedrag mag je een fictieve interestvoet van ongeveer 3,6 % aftrekken, dus 1080 euro. Dat bezorgt die KMO een belastingbesparing van maximaal 367,09 euro (1080 x 0,3399). Dat staat in schril contrast met de investeringsreserve, waarmee je de helft van de investeringen van de belastbare basis mag aftrekken, met een maximum van 18.750 euro. Die maatregel levert dezelfde KMO netto 4683,75 euro (18.750 x 0,2498) op."Daarom pleit Unizo voor een vrije keuze van de ondernemers tussen investeringsreserve en notionele interest. Op zich heeft het VBO daar niets op tegen. "Toch moet je naar het algemeen economisch belang kijken," zegt fiscaal adviseur Jean Baeten. "Enerzijds is de investeringsreserve een ingewikkeld systeem en beperkt de maatregel zich tot KMO's, die van een verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting genieten. Eigenlijk komt het neer op een renteloze lening, met andere woorden een fiscale optimalisatie. De notionele interest daarentegen geldt voor alle bedrijven. Volgens onze berekeningen gaat minstens de helft van de totale kost (dus de opbrengst voor de vennootschap) naar KMO's. Bovendien creëert de belastingaftrek voor eigen vermogen werkgelegenheid. Het eigen vermogen wordt goedkoper, waardoor de investeringen makkelijker renderen." En, besluit Baeten, KMO's die weinig winst maken of geen investeringen plannen, halen voordeel uit de maatregel."Het kernprobleem is dat deze regering elke overheidsmaatregel om de ondernemingszin te stimuleren, budgettair neutraal wil houden. Het oorspronkelijke voorstel, dat minister van Financiën Didier Reynders (MR) in juni vorig jaar lanceerde, heeft in enkele maanden tijd al veel van zijn glans verloren. Om echt aantrekkelijk te zijn, moet de wetgever een risicopremie voorzien voor wie met eigen middelen in zijn eigen zaak investeert. Een vergoeding van 3,66 % is echt te weinig voor wie zijn kapitaal aan het ondernemingsrisico moet onderwerpen. Zij die beleggen in een risicoloze staatslening op tien jaar krijgen evenveel. Bovendien zitten er nog addertjes onder het gras van het huidige voorontwerp. Zullen ondernemers van eenmanszaken naar het Arbitragehof stappen of niet? En wie gaat de test uitvoeren en nagaan of een actief bestanddeel al dan niet op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreft? Het antwoord op die vraag zal aanleiding geven tot veel betwistingen. De ondernemer zal vinden van niet en de fiscus van wel. Dat is spijtig, want net als de eenmalige bevrijdende aangifte dreigt nu ook de notionele interest te mislukken door een gebrek aan rechtszekerheid. Nochtans kan de ene maatregel de andere aftrek financieren, zodat een échte hervorming van ons belastingsysteem plaatsvindt en ons land eindelijk nog eens bedrijven kan aantrekken. Werner Niemegeers Eric Pompen"De investeringsreserve betekent voor KMO's een grotere belastingbesparing dan de notionele interest."Een fiscale aftrek van 3,66 % is te weinig. Zij die beleggen in een risicoloze staatslening op tien jaar krijgen evenveel.