Erik Buyst, Geert Jennes, Damiaan Persyn (e.a.), Het genoom van de geldstroom, een wetenschappelijke ontrafeling van interregionale transfers en hun economische impact, Pelckmans, 2012, 112 blz, 16,5 euro.
...

Erik Buyst, Geert Jennes, Damiaan Persyn (e.a.), Het genoom van de geldstroom, een wetenschappelijke ontrafeling van interregionale transfers en hun economische impact, Pelckmans, 2012, 112 blz, 16,5 euro. Lees Transfers verlammen, blz. 20 opinie 5,8 MILJARD EURO in 2007, 6,2 miljard euro in 2008, 6,1 miljard euro in 2009. De klassieke Belgische noord-zuidtransfers uit de sociale zekerheid, de federale begroting en de financieringswet blijven groot en zijn ook opvallend constant. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van het Leuvense onderzoeksinstituut Vives. De transfers worden berekend op basis van het principe van de juste-retour: er wordt gekeken naar wat deelstaten meer gekregen hebben dan wat ze hebben bijgedragen aan de ontvangsten. De nieuwe cijfers staan te lezen in ' Het genoom van de geldstroom. Een wetenschappelijke ontrafeling van interregionale transfers en hun economische impact'. Academici nemen in het boek de kenmerken van de transferstromen onder de loep. Daarbij borduren de Vives-vorsers voort op bestaande analyses, die ze dankzij vernieuwde cijfergegevens actualiseren. Zo is een update gemaakt van de publieke transfers tussen de Belgische gewesten voor de jaren 2008 en 2009. De klassieke Vlaams-Waalse transfers blijven stabiel of stijgen zelfs licht. Dat is enigszins verwonderlijk, vindt Geert Jennes (Vives), die de nieuwe berekeningen maakte. Recente cijfers van KBC-econoom Koen De Leus tonen aan dat de groei in Vlaanderen in 2008-2011 gemiddeld 0,5 procent per jaar bedroeg, tegenover 1,1 procent in Wallonië en 0,7 procent in Brussel. Bovendien is Vlaanderen door zijn grote gevoeligheid voor de export harder getroffen door de recessie vanaf eind 2008. Vlaanderen zou dan ook meer dan Brussel en Wallonië getroffen moeten zijn door de economische crisis. Aan de transfers in 2008 en 2009 is dat in elk geval niet te merken. En ondanks de voorspelling van sommige economen dat een sterkere Waalse groei voor een snelle omkering van de geldstromen zal zorgen, is dat dus ook niet voor morgen. Wel blijkt uit het Vives-studiewerk dat de transfers via de financieringswet en de federale begroting (zonder sociale zekerheid en intrestlasten) afnemen. Maar de stijging van de noord-zuidgeldstromen in de sociale zekerheid doet die daling teniet. In de eerste groep van transfers - die in de federale begroting zonder sociale zekerheid en zonder intrestlasten - worden drie subcategorieën onderzocht: de federale ambtenarenweddes, de sociale voorzieningen in geld (uitkeringen buiten RSZ zoals personen met een handicap) en de ambtenarenpensioenen. In de periode 2007-2009 namen de geldstromen in die groep zowel vanuit het Vlaams Gewest als naar het Waals Gewest licht af. Waar de Vlaamse transfers hier in 2007 nog 1,3 miljard euro bedroegen, waren ze in 2009 gedaald naar 1,2 miljard. Opvallend is dat Vlaanderen in de subcategorie ambtenarenpensioenen sinds 2008 een inkomende transfer ontvangt. In 2008 ging het om 95 miljoen euro en in 2009 om 78 miljoen euro. Ook in de tweede groep transfers, die via de financieringswet, stelde de Vives-studie een lichte daling vast, al liepen ze in 2009 toch nog op tot 977 miljoen euro. De geldstromen in de financieringswet zijn onder andere solidariteitsbijdragen die Vlaanderen betaalt op basis van de lagere Waalse en Brusselse bijdragen in de personenbelasting, de btw-dotaties aan de gemeenschappen en bepaalde specifieke geldstromen naar Brussel. De belangrijkste klassieke noord-zuidgeldstromen bleven die in de sociale zekerheid. Die stegen van 3,5 miljard in 2007 naar 3,8 miljard in 2009. Ontleed naar de subcategorieën van de RSZ (werkloosheid, pensioenen, kinderbijslag, Riziv) blijkt dat in absolute cijfers de werkloosheid en de gezondheidzorg de grootste transferposten bleven. In absolute cijfers was er in alle subcategorieën een toename van de transfers, behalve in kinderbijslag. De meeste transferstudies hielden tot nu geen rekening met de intergewestelijke geldstromen die ontstaan uit de betaling van rente op de federale staatsschuld. Zowel de studies van Abafim (2004) als die van de Nationale Bank (2008) beschouwen intrestlasten als een vergoeding van een evenwaardige tegenprestatie. Inwoners van de gewesten houden staatsschuld aan in de vorm van overheidsobligaties en krijgen daarvoor rente uitbetaald. Dus kan men volgens de Nationale Bank niet spreken van transfers. Dat vindt Geert Jennes onterecht, zeker met de Belgische traditie van jarenlange begrotingstekorten en dus hoog oplopende rentelasten in het achterhoofd. "Die argumentatie van de Nationale Bank houdt enkel rekening met het privéaspect en niet met het overheidsaspect van intrestlasten. Als de overheid intrestlasten moeten betalen, is dat omdat ze meer uitgeeft dan ze binnenkrijgt via de belastingen. Van die uitgaven genieten de gewesten in verschillende mate. Bovendien komt vroeg of laat toch de rekening. Op een bepaald moment moeten intrestlasten worden terugbetaald met belastinginkomsten en dan ontstaan onvermijdelijk transfers. Want deelstaten met een primair overschot (meer inkomsten dan uitgaven zonder rentelasten) betalen hier het gelag." De Vives-vorser wijst erop dat het debat over de impact van groeiende overheidsschulden en rentelasten op de transfers relevant is. De jaren zestig, de eerste periode waarvoor Vlaams-Waalse transfers werden vastgesteld, werden vrij spoedig gevolgd door omvangrijke primaire Belgische tekorten (1972-1985). Die leidden tot een oplopende overheidsschuld en hogere rentelasten. "Voor die periode moet je je afvragen in welk gewest de primaire tekorten vooral geboekt zijn", vindt Jennes. "Wij hebben redenen om aan te nemen dat de Belgische overheidsschuld vooral in Wallonië is opgebouwd." Volgens een conservatieve berekeningsmethode kwam Jennes vorig jaar voor 2007 uit op een transfer uit intrestlasten op de federale staatsschuld van 3,9 miljard euro. Maar in een nieuwe berekening wordt dat 10,249 miljard euro. In 2007 had België een primair overschot van meer dan 10,2 miljard euro, stelt Jennes. De totale verschuldigde rentelasten bedroegen 12,2 miljard euro. Dankzij dat primaire surplus konden de rentelasten in belangrijke mate met belastingopbrengsten worden betaald en dus niet via nieuwe leningen. Maar dat federale saldo van 2007 maskeert grote regionale verschillen. Vlaanderen boekte een primair overschot van 14,2 miljard euro en ook Brussel had een licht surplus van 821 miljoen euro, maar Wallonië kwam uit op een tekort van 4,7 miljard euro. Door dat Waalse tekort moesten Vlaanderen en Brussel de federale intresten grotendeels op zich nemen. "Vlaanderen betaalde dat jaar 95 procent van de intrestlasten, terwijl de Belgische staatsschuld vooral in het Waals Gewest werd opgebouwd", weet Jennes. "Het Vlaams Gewest betaalde, terwijl het eigenlijk een ontvanger moest zijn. Vlaanderen boekte primaire overschotten en heeft de schuld dus niet veroorzaakt, maar het moest er wel rente op betalen. Die situatie leidde tot een grote transfer." Opvallend is dat de geldstromen uit rentelasten volgens de Vives-berekeningen in 2008 plots daalden naar 6 miljard euro en in 2009 tot nul werden herleid. De verklaring is eenvoudig: er bleven onvoldoende of geen primaire overschotten over om de rentelasten te betalen. In 2009 was er zelfs een negatief federaal primair saldo, waardoor dat jaar 100 procent van de verschuldigde intrestlasten moest worden doorgeschoven naar de toekomst. Ze werden betaald met nieuwe leningen. "De nultransfers uit intrestlasten in 2009 zijn dus eigenlijk uitstel van executie", verklaart Jennes. "België zal vroeg of laat opnieuw een primair surplus moeten boeken, zodat het een deel van de rentelasten opnieuw kan betalen met fiscale inkomsten. Op dat moment zullen waarschijnlijk opnieuw grote Vlaams-Waalse transfers ontstaan. Vlaanderen heeft er alle belang bij dat er snel weer primaire overschotten zijn en dat de staatsschuld wordt afgebouwd. Dat zou de bloeding vanuit Vlaanderen door de zware rentelasten stelpen." Maar een federaal primair surplus is nog niet voor meteen. Volgens de Nationale Bank heeft België in 2010 en 2011 nog een licht primair tekort geboekt. Als we de transfers op intrestlasten bij de gewone transfers optellen, komen we voor 2007 aan geldstromen ter waarde van 16 miljard euro. In 2008 ging het om 12 miljard en in 2009 om 6 miljard. Maar dat is dus een momentopname. Zodra er weer primaire overschotten zijn, zullen de transfers weer toenemen. Het Waals Gewest kan de komende jaren natuurlijk een handje helpen door mee te streven naar een positiever Waals aandeel in het federale primaire saldo. "De gedeeltelijke regionalisering van de personenbelasting als onderdeel van de nieuwe financieringswet kan bijvoorbeeld een stap in de richting van een groeigerichter beleid in het Waals Gewest zijn", vindt Jennes. ALAIN MOUTON EN DAAN KILLEMAES"VLAANDEREN HEEFT ER ALLE BELANG BIJ DAT ER SNEL WEER PRIMAIRE OVERSCHOTTEN ZIJN EN DAT DE STAATSSCHULD WORDT AFGEBOUWD. DAT ZOU DE BLOEDING VANUIT VLAANDEREN DOOR DE ZWARE RENTELASTEN STELPEN" Geert Jennes "OP EEN BEPAALD MOMENT MOETEN INTRESTLASTEN WORDEN TERUGBETAALD MET BELASTINGINKOMSTEN EN DAN ONTSTAAN ONVERMIJDELIJK TRANSFERS. DEELSTATEN MET EEN PRIMAIR OVERSCHOT BETALEN DAN HET GELAG" Geert Jennes