Vorige week bereikten de sociale partners een akkoord over de welvaartvastheid van de sociale uitkeringen. Tal van uitkeringen gaan de hoogte in. Tegelijk werden er afspraken gemaakt over lastenverlagingen voor nacht- en ploegenarbeid. Een zogenaamd win-winakkoord. Zowel werknemers als werkgevers kunnen wat moois meenemen naar hun achterban.
...

Vorige week bereikten de sociale partners een akkoord over de welvaartvastheid van de sociale uitkeringen. Tal van uitkeringen gaan de hoogte in. Tegelijk werden er afspraken gemaakt over lastenverlagingen voor nacht- en ploegenarbeid. Een zogenaamd win-winakkoord. Zowel werknemers als werkgevers kunnen wat moois meenemen naar hun achterban. Na de (hele of halve) mislukkingen van het interprofessionele akkoord in 2004 en het Generatiepact in 2005 is dit een opsteker. Het is bovendien dit jaar al het derde akkoord dat de sociale partners sluiten. Het deed vorige week velen zeggen dat de sterren goed staan om er een vierluik van te maken met een nieuw interprofessioneel akkoord. Daarvoor worden er volgende maand opwarmingsronden gereden, om dan begin november de eindsprint in te zetten. Maar een kritische blik op de drie akkoorden toont aan dat het absoluut niet zeker is dat we een interprofessioneel akkoord zullen bereiken. Het eerste akkoord - de actualisering van de indexkorf - is waardevol. Het zou de loonkostenstijging met 0,6 % vertraagd hebben. Het was een zogenaamd technische aanpassing met weinig mediabelangstelling, waarvan pas later duidelijk werd - voor de buitenwereld dan toch - dat die een matigend effect heeft. Voor het interprofessionele akkoord zullen de camera's en microfoons er elke dag staan. En de inzet is van meet af aan duidelijk. Tweede akkoord: de verklaring over de competitiviteit. Het belang van deze verklaring is dat ze bestaat, maar meer ook niet. Zonder de politieke druk van premier Verhofstadt was ze er waarschijnlijk niet gekomen. De verklaring is een opsomming van verschillende wensen en verzuchtingen van alle partijen. Een goede basis voor de gesprekken nu, maar zeker geen blauwdruk voor een akkoord. Derde akkoord: de welvaartvastheid. Een belangrijk en omvangrijk akkoord, maar wel met het geld van iemand anders. De regering had een financiële pot vrijgemaakt en ze had voor de invulling ervan zelf al een plan. De lastenverlagingen waren al veel eerder door Verhofstadt aangekondigd. Wat echt nieuw had kunnen zijn, was een verlaging van de lasten op overuren. Daarvoor werd wel een potje gevonden, maar de regeling werd doorverwezen naar de interprofessionele onderhandelingen. Voor die onderhandelingen heeft de regering al laten verstaan dat ze geen financiële dekking zal voorzien van afspraken die de sociale partners maken. Het verleden heeft uitgewezen dat akkoorden veel moeilijker tot stand komen zonder zulke cadeautjes. De vakbonden zetten alles in op een verhoging van het minimumloon. Niet zoveel bedrijven betalen dat minimumloon, maar er zal zeker een (werkgevers)prijs tegenover staan. Verder zullen de vakbonden geconfronteerd worden met de eis van de werkgevers om overschrijdingen van de loonnorm in het verleden te recupereren. En de norm zou al niet erg breed uitvallen. Waar het akkoord van de welvaartvastheid enkel zoets bevat, zal een eventueel interprofessioneel akkoord ook heel wat bitters bevatten. Daarom zijn de tot nu toe bereikte akkoorden geen enkele garantie voor het welslagen van de interprofessionele onderhandelingen. Maar toegegeven, het ontbreken ervan had het nog veel moeilijker, en misschien zelfs onmogelijk gemaakt. Guido Muelenaer