Een nieuw rapport van de Nationale Bank strooit nog maar eens zout in de bittere wonde van arbeidsmarktparticipatie door niet-Europese immigranten in België. We wisten al dat, op Zweden na, nergens in Europa de tewerkstellingskloof tussen autochtonen en allochtonen groter is dan in België. We weten nu ook dat die kloof amper afneemt in de tweede generatie van afstammelingen die nochtans hier geboren en getogen zijn. En dat België daarin veel slechter scoort dan onze buurlanden, waar de tewerkstellingskansen van de tweede generatie na immigratie wel merkbaar verbeteren.
...

Een nieuw rapport van de Nationale Bank strooit nog maar eens zout in de bittere wonde van arbeidsmarktparticipatie door niet-Europese immigranten in België. We wisten al dat, op Zweden na, nergens in Europa de tewerkstellingskloof tussen autochtonen en allochtonen groter is dan in België. We weten nu ook dat die kloof amper afneemt in de tweede generatie van afstammelingen die nochtans hier geboren en getogen zijn. En dat België daarin veel slechter scoort dan onze buurlanden, waar de tewerkstellingskansen van de tweede generatie na immigratie wel merkbaar verbeteren. De onderzoekers onderstrepen de beperkingen van hun data. Toch slagen ze erin het verontrustende beeld van permanente achterstelling te preciseren. Vooreerst blijken sommige subgroepen het toch beter -- of beter: minder slecht -- te doen dan andere. De tweede generatie met Turkse wortels maakt doorgaans wat meer progressie dan de tweede generatie uit Noord-Afrika. Overal blijken persoonlijke onderwijsprestaties, of juist het gebrek daaraan, een sterke voorspeller van latere arbeidsprestaties. En terwijl migrantenmeisjes er wel kunnen op vooruitgaan, luidt het moederschap voor hen veelal de doodsklok over de loopbaan. Voorzichtigheid is geboden, maar deze nieuwe stap in de verfijning van de Belgische integratiestatistiek bevestigt een beeld dat in diverse westerse immigratielanden bekend is. In één land kennen verschillende subgroepen immigranten verschillende integratietrajecten, beginnend in de gezinnen, over de schoolbanken tot in de economie en tussen de generaties. Culturele factoren, in het bijzonder de rollenverdeling tussen mannen en vrouwen, spelen daarin mee. Regionale verschillen zijn opmerkelijk belangrijk, ondanks kleinschaligheid en mobiliteit. Dat alles maakt de uitdaging voor een succesvolle participatie complexer, specifieker en persoonlijker. Maar de basisvaststelling blijft dat België faliekant faalt in het aanbieden van een ladder voor opwaartse economische mobiliteit aan instromende immigranten en hun nakomelingen. Als die ladder buiten bereik blijft voor opeenvolgende generaties, dreigt ze uiteindelijk om te vallen in een moeras van culturele en politieke polarisatie. Nu de vluchtelingencrisis ons confronteert met nieuwe golven niet-Europese immigratie, moeten we ons dus bezinnen over onze status als ontvangstland. Hoe krijgen we de instroom onmiddellijk in de doorstroom? Hoe vermijden we een verloren eerste generatie, zodat de tweede toch al met minder achterstand kan starten? Het antwoord -- roept iedereen in koor --is werk. Maar waarom zouden de nieuwe immigranten daarin plots scoren, terwijl anderen daarin juist herhaaldelijk falen? Het zal niet vanzelf gaan. Daarom dit voorstel. Om onmiddellijk de draad op te nemen, is onmiddellijke toegang tot werk nodig. De onderste trede op onze arbeidsladder staat echter hoog: arbeid is bij ons peperduur en dus hyperproductief. Dat kost banen en het sluit vele nieuwkomers per definitie uit, waarmee de cyclus van achterstelling begint. Waarom geen tijdelijke inloopbaan overwegen, die immigranten met inschakelingsproblemen laat instappen op een lager niveau? Waarom de ladder niet bereikbaarder maken? Een tijdelijk inloopcontract zou een lager loon kennen dan het minimumloon, zodat de werkgever iemand werk geeft die anders niet aan de bak geraakt. Daarnaast zou de werkgever, gedurende de looptijd van het contract, zich engageren tot opleiding en vorming via bijvoorbeeld onderricht, stage, mentoren of taallessen, allemaal op maat. De werkgever, in partnerschap met bevoegde diensten als de VDAB, zou zo tijdelijk werk geven, maar vooral definitief de deur openen naar een loopbaan in ons land. Modaliteiten zijn te preciseren om goed te focussen en misbruiken te vermijden. Overheidssteun is denkbaar als die betaalbaar is. Het is allemaal heel delicaat: we vloeken in de kerk van verworven rechten en heilige minima. Maar de kerkdeuren blijven nu wel potdicht voor een groeiende onderlaag die juist daar haar toevlucht zoekt. Als we die realiteit op ons grondgebied hebben, dan moeten we er ook naar handelen. Marc De Vos is directeur van denktank Itinera en doceert aan de UGent.MARC DE VOSDe onderste trede op onze arbeidsladder staat hoog: arbeid is bij ons peperduur en dus hyperproductief.