De Tweede Richtlijn (Richtlijn 77/91/EEG van 13 december 1976) voerde een regime in waarbij de inkoop van eigen aandelen door een vennootschap werd beperkt. Men wilde hierdoor vermijden dat er een autokontrole binnen de vennootschap ontstond, de instandhouding van het kapitaal verzekeren en de rechten van de onafhankelijke aandeelhouders beschermen.
...

De Tweede Richtlijn (Richtlijn 77/91/EEG van 13 december 1976) voerde een regime in waarbij de inkoop van eigen aandelen door een vennootschap werd beperkt. Men wilde hierdoor vermijden dat er een autokontrole binnen de vennootschap ontstond, de instandhouding van het kapitaal verzekeren en de rechten van de onafhankelijke aandeelhouders beschermen. Aangezien de Tweede Richtlijn geen regeling met betrekking tot de kruisparticipaties bevatte, werd dit verbod regelmatig omzeild door de inschakeling van een dochtervennootschap die de aandelen van haar moeder verwierf. De Belgische Wet van 18 juli 1991 trachtte dit achterpoortje te sluiten door, los van enige Europeesrechtelijke verplichting, een regeling inzake kruisparticipaties in te voeren. Richtlijn 92/10/EEG van 23 november 1992, die ook in het Europese recht bepalingen inzake kruisparticipaties invoerde, bevatte een duidelijke bepaling die de aankoop van aandelen door een rechtstreekse dochter gelijkstelde met de inkoop van eigen aandelen. De Belgische wetgever heeft van de Reparatiewet van 13 april 1995 gebruik gemaakt om de Belgische wetgeving aan te passen aan deze Europese reglementering. Aangezien de einddatum voor de uitvoering van de Europese reglementering in het Belgische recht 1 januari 1995 was, heeft de Belgische wetgever de nieuwe reglementering onmiddellijk van toepassing gemaakt.NIEUWE REGELING.Overeenkomstig de Europese bepaling, werd de regeling met betrekking tot de inkoop van eigen aandelen (of winstbewijzen) uitgebreid tot de verwerving van aandelen (of winstbewijzen) in de moedervennootschap door de rechtstreekse dochtervennootschappen. Eén van de voorwaarden voor de verkrijging van eigen aandelen (of winstbewijzen) is dat de nominale waarde of fraktiewaarde bij gebrek aan een nominale waarde van de verkregen eigen aandelen (of winstbewijzen) niet meer mag bedragen dan 10 % van het geplaatste kapitaal. Bijgevolg dient men nu voor de berekening van de 10 %-grens zowel naar de moedervennootschap als naar de rechtstreekse dochters te kijken. Rechtstreekse dochtervennootschappen zijn deze waarin de moeder "alleen of krachtens een aandeelhoudersovereenkomst, rechtstreeks de meerderheid van de stemrechten bezit, uitoefent of kontroleert, of waarin zij over het recht beschikt om rechtstreeks de meerderheid van de bestuurders of zaakvoerders te benoemen". De als professionele effektenhandelaar optredende beursvennootschappen en kredietinstellingen worden niet bij de rechtstreekse dochters gerekend. Voor hen gelden immers specifieke wettelijke regelingen. Daarenboven dient men voor de berekening van de 10 %-grens ook rekening te houden met de aandelen (of winstbewijzen) die in pand worden genomen. De overige voorwaarden voor de verkrijging van eigen aandelen (of winstbewijzen) blijven, mutatis mutandis, hetzelfde. Aan het lijstje van de bestaande uitzonderingen op deze regel werd een belangrijke groep toegevoegd. Indien de inkoop gebeurt om bestaande kruisparticipaties in hoofde van onafhankelijke vennootschappen en niet-rechtstreekse dochters af te bouwen, dienen de voorwaarden voor de verkrijging van eigen aandelen niet te worden nageleefd, en geldt de 10 %-grens bijgevolg niet. In dergelijk geval dienen deze aandelen echter binnen een periode van drie jaar vervreemd of vernietigd te worden.GEVOLGEN.Wat betreft de gevolgen inzake het houden van eigen aandelen dient men een onderscheid te maken tussen de eigen aandelen (of winstbewijzen) die rechtsgeldig werden verkregen en degene die niet rechtsgeldig werden verkregen.Voor de aandelen (of winstbewijzen) die rechtsgeldig werden verkregen, is de belangrijkste wijziging in de nieuwe regeling de schorsing van het stemrecht. Aangezien de Vennootschappenwet strafsancties oplegt aan hen die tijdens de algemene vergadering aan de stemming deelnemen hoewel hun stemrecht krachtens de wet geschorst is, kan dit in de toekomst tot onaangename verrassingen aanleiding geven. Ontevreden minderheidsaandeelhouders hebben in het verleden immers al bewezen dat ze het doen en laten van de meerderheidsaandeelhouders nauwkeurig opvolgen. Aandelen (of winstbewijzen) die niet rechtsgeldig aangehouden worden of niet binnen de wettelijke termijn vervreemd zijn, zijn van rechtswege nietig. Bovendien wordt de overtreding strafrechtelijk gesanctioneerd in hoofde van de bestuurders van de moedervennootschap.OVERGANGSREGELING.De vennootschappen die ten gevolge van de nieuwe reglementering bij het van kracht worden van de wet in een onwettige situatie terechtkwamen, krijgen voldoende tijd om zich aan de nieuwe wetgeving aan te passen. Zo krijgen rechtstreekse dochters tot 1 januari 1997 de tijd om de nodige maatregelen te nemen opdat hun deelnemingen in de moeder, samen met de aandelen (of winstbewijzen) die de moeder in zichzelf houdt, onder de 10 %-grens zakt. Daarenboven wordt de schorsing van het stemrecht gedeeltelijk uitgesteld tot 1 januari 1998, op voorwaarde tenminste dat de stemgerechtigde effekten voor 4 december 1992 werden verkregen. Zelfs in dit geval blijven de stemrechten beperkt tot maximaal 10 % van het geheel van de stemrechten verbonden aan de door de moeder uitgegeven effekten.KONKLUSIE.De nieuwe regeling op de verkrijging van eigen aandelen dient nauwkeurig onderzocht te worden binnen groepsverbanden. Bestaande inbreuken kunnen rustig gekorrigeerd worden, doch nieuwe overtredingen hebben schrapping van stemrecht of nietigverklaring van aandelen (of winstbewijzen) tot gevolg en kunnen zelfs tot strafsancties lijden.JEAN-PAUL TIMMERMANSWILFRIED VAN LISHOUTJean-Paul Timmermans en Wilfried Van Lishout zijn juridische raadgevers bij Price Waterhouse.