Nauwelijks 1,7%, dat is wat er anno 1998 gemiddeld nog rest van de inflatie in de geïndustrialiseerde wereld. Toch is dit nog niet hetzelfde als volledige prijsstabiliteit, zelfs als rekening wordt gehouden met een overschatting van de inflatie met 0,5 à 1,5%, zoals in de Verenigde Staten geraamd (zie ook Trends 3 september 1998). Prijsstabiliteit is één van de hoofddoelstellingen van elk economisch beleid. Maar moet de inflatie helemaal worden uitgeroeid? Vele centrale bankiers menen van niet, al willen ze dat niet met zoveel woorden zeggen. De C...

Nauwelijks 1,7%, dat is wat er anno 1998 gemiddeld nog rest van de inflatie in de geïndustrialiseerde wereld. Toch is dit nog niet hetzelfde als volledige prijsstabiliteit, zelfs als rekening wordt gehouden met een overschatting van de inflatie met 0,5 à 1,5%, zoals in de Verenigde Staten geraamd (zie ook Trends 3 september 1998). Prijsstabiliteit is één van de hoofddoelstellingen van elk economisch beleid. Maar moet de inflatie helemaal worden uitgeroeid? Vele centrale bankiers menen van niet, al willen ze dat niet met zoveel woorden zeggen. De Canadese centrale bank doet dat wel en heeft een officiële inflatiedoelstelling van 1 à 3%. Dit omdat de kosten om inflatie tot nul te kortwieken misschien wel fors hoger kunnen uitvallen dan de baten van volledige prijsstabiliteit. Michael Leidy en Stephen Tokarick, beiden verbonden aan het Internationaal Muntfonds (IMF), zetten pro en contra van een nog lagere inflatie op een rijtje. De voordelen van een nog lagere inflatie. Die zijn heel moeilijk in te schatten, onder meer door het gebrek aan historische ervaring met prijsstabiliteit op langere termijn. Volgens studies zou een inflatiedaling van 5 naar 0% een extra groei opleveren van 0.1 à 0.15%. Hoeveel daarvan overblijft bij een inflatiedaling van 1,7% naar 0, blijft evenwel koffiedik kijken. De relatie tussen lage inflatie en groei lijkt dus heel zwak. Toch argumenteert de Harvard-econoom Martin Feldstein dan weer dat van 2% naar nulinflatie afzakken steeds een netto welvaartswinst oplevert - vooral door de uitschakeling van belastingdistorties. De kosten van een nog lagere inflatie. Lonen hinken bij de prijsevolutie achterop. Een dalende inflatie leidt daarom tijdelijk tot hogere reële lonen. Een minder sterke nominale loonstijging moet dan de voor de bedrijven te dure lonen compenseren. Bij hele lage inflatie (of deflatie) kan dit zelfs betekenen dat de nominale lonen omlaag moeten, maar dat dreigt op veel sociale weerstand te botsen. Gebeurt die nominale loonaanpassing niet, dan weegt dit op de tewerkstelling en de groei.Bij nulinflatie of negatieve inflatie zijn ook negatieve reële intrestvoeten (waarbij de inflatie boven de nominale intrestvoeten uitstijgt) niet mogelijk omdat de nominale intrestvoeten niet lager kunnen zakken dan nul. Dat beperkt - indien gewenst - een monetair expansief beleid. Zo kenden de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog een derde van de tijd negatieve reële intrestvoeten.De balans. Om de eindafrekening te maken, ligt de sleutel volgens de auteurs bij de starheid van de nominale lonen. Een economie waar nominale loondalingen ondenkbaar zijn - zoals de Belgische - hebben daarom baat bij enkele procentjes inflatie.Michael Leidy and Stephen Tokarick, Considerations in Reducing Inflation From Low toLower Levels, IMF Working Paper, Augustus 1998. Info: Tel. (00-1) 202.623.7430