In 2001 organiseerden de stad en de provincie Antwerpen en afvalverwerker Indaver een architectuurwedstrijd voor de bouw van een nieuwe afvaloverslagplaats aan de Schelde. Architectuurwedstrijden voor (semi-)industriële gebouwen zijn in ons land een zeldzaamheid. Het Antwerpse architectenbureau Poponcini & Lootens kwam als winnaar uit de bus. Poponcini & Lootens koos bewust voor een ontwerp met een duidelijk industrieel karakter. Hoewel het project niet werd gerealiseerd (de piste om het transport van het...

In 2001 organiseerden de stad en de provincie Antwerpen en afvalverwerker Indaver een architectuurwedstrijd voor de bouw van een nieuwe afvaloverslagplaats aan de Schelde. Architectuurwedstrijden voor (semi-)industriële gebouwen zijn in ons land een zeldzaamheid. Het Antwerpse architectenbureau Poponcini & Lootens kwam als winnaar uit de bus. Poponcini & Lootens koos bewust voor een ontwerp met een duidelijk industrieel karakter. Hoewel het project niet werd gerealiseerd (de piste om het transport van het afval via de Schelde te laten verlopen, werd verlaten), vinden architecten Mauro Poponcini en Patrick Lootens het feit dat zo'n wedstrijd mogelijk is een indicatie van een veranderende houding in ons land tegenover architectuur. En ze beamen dat er ook in de bedrijfswereld een groeiende belangstelling is voor goede architectuur, ook als het om (semi-)industriële gebouwen gaat. Lootens: "Het bewustzijn neemt toe dat een bedrijfsgebouw met architecturale kwaliteit een positieve bijdrage kan leveren aan de identiteit en het imago van het bedrijf. Deze evolutie past ook in een breder maatschappelijke bewustwordingsproces over de rol en de functie van architectuur." Lootens verwijst naar het pionierswerk van de (inmiddels opgedoekte) Stichting Architectuur Museum, naar de ontluikende interesse voor architectuur bij de overheid met onder meer het aanstellen van een Vlaams Bouwmeester, naar de vele architectuur- en interieurbijlagen in populaire magazines. Toch is er volgens Poponcini & Lootens nog veel werk aan de winkel. "Het vooroordeel dat goede architectuur duur is, leeft toch nog bij heel wat ondernemers," zegt Mauro Poponcini. "En goede bedoelingen zijn niet altijd voldoende. Specifiek bij semi-industriële gebouwen grijpt men nog zeer vaak terug naar gemakkelijkheidsoplossingen. Het klassieke voorbeeld is het banale magazijn dat als het ware verstopt wordt achter een esthetisch kantoorgeveltje. Waarom moet men zich schamen voor dat industriële karakter?" Het streven in de logistieke business naar een zo efficiënt mogelijk ruimtegebruik vinden Poponcini en Lootens geen belemmering voor kwaliteitsarchitectuur, integendeel. Maar is de meest efficiënte vorm voor een distributiegebouw niet het door velen verfoeide 'schoendoosmodel'? "Misschien wel," antwoordt Patrick Lootens, "maar dat wil niet zeggen dat dat moet resulteren in saaie gebouwen. Je kan veel bereiken door het industriële karakter van het gebouw eerlijk te benadrukken. Daarnaast is het ook heel belangrijk dat je dergelijke gebouwen een interessante dialoog laat aangaan met een kwaliteitsvolle omgeving. Dat laatste is iets waar in België - in tegenstelling tot in Nederland - nog veel te weinig aandacht aan wordt besteed".