"De grote passie van mijn leven is dingen ontwerpen én maken. En bij voorkeur doe ik dat op een vernieuwende manier", zegt Alexander D'Hooghe. De puzzelstukken van zijn carrière beginnen wonderwel in elkaar te passen. Na zijn studie ingenieur-architect aan de KU Leuven behaalde hij in 2001 het masterdiploma Architecture in Urban Design aan de Harvard Graduate Design School. Voor zijn doctoraat keerde hij terug naar Europa, naar het befaamde Berlage Instituut in Rotterdam. Acht jaar geleden richtte hij samen met Luk Peeters en Natalie Seys het ontwerpbureau Organization for Permanent Modernity (ORG) op, dat vestigingen in Boston en Brussel heeft. "Ik ben enorm verheugd dat we met ORG, na vier à vijf jaar studiewerk en analyse, voor het eerst enkele grote projecten hebben die in de werffase zitten."
...

"De grote passie van mijn leven is dingen ontwerpen én maken. En bij voorkeur doe ik dat op een vernieuwende manier", zegt Alexander D'Hooghe. De puzzelstukken van zijn carrière beginnen wonderwel in elkaar te passen. Na zijn studie ingenieur-architect aan de KU Leuven behaalde hij in 2001 het masterdiploma Architecture in Urban Design aan de Harvard Graduate Design School. Voor zijn doctoraat keerde hij terug naar Europa, naar het befaamde Berlage Instituut in Rotterdam. Acht jaar geleden richtte hij samen met Luk Peeters en Natalie Seys het ontwerpbureau Organization for Permanent Modernity (ORG) op, dat vestigingen in Boston en Brussel heeft. "Ik ben enorm verheugd dat we met ORG, na vier à vijf jaar studiewerk en analyse, voor het eerst enkele grote projecten hebben die in de werffase zitten." Niet dat hij nadenken over stedenbouw en het bredere plaatje aan de kant heeft gezet. Als hoogleraar architectuur en stedenbouw aan het befaamde Massachusetts Institute of Technology (MIT) in Boston blijft de studax in Alexander D'Hooghe geprikkeld. Dat is nog meer het geval sinds hij vorig jaar directeur werd van het MIT Center for Advanced Urbanism (CAU), een onderzoekscentrum dat focust op grootschalige ontwerpvraagstukken. "MIT heeft een sterk planningsdepartement en een ongelooflijke onderzoekstraditie, met veel aandacht voor innovatie. Maar tot nu toe was die historische innovatie- en onderzoekscultuur van MIT minder gekoppeld aan mijn vakdomein, architectuur en stadsontwerp. Met het center willen we die verbinding maken." CAU is geen onemanshow, benadrukt D'Hooghe. Vijftien hoogleraars en labo's hebben zich er al mee verbonden. De bedoeling is hun expertise te bundelen om onderzoeksopdrachten uit te voeren. "De samenwerking met mensen met verschillende soorten expertises -- en hun verscheiden karakters -- maakt het zo boeiend. Een ontwerper moet per definitie openstaan voor een multidisciplinaire benadering. Al die experts reiken vanuit hun discipline oplossingen aan. Het is dan aan de ontwerper om die samen te brengen in een zo coherent en elegant mogelijk project. In iets dat werkt." CAU denkt na over kernthema's die samenvallen met de grote uitdagingen van steden, zoals verstedelijking en gezondheid. En: hoe kunnen we onze steden wapenen tegen de klimaatverandering? Sinds de verwoestende doortocht van de orkaan Sandy leeft dat onderwerp sterk in de Verenigde Staten, en in het bijzonder in New York. Met het programma Rebuild by Design wil het U.S. Department of Housing and Urban Development (HUD) internationale topontwerpers en onderzoekers in contact brengen met lokale beleidsmensen en bewonersgroepen. CAU stelde zich kandidaat voor het project, samen met een team van Nederlandse bureaus: De Urbanisten, Deltares, Volker Infra Design, ZUS en 75B. Begin deze maand kwam er heuglijk nieuws: Shaun Donovan, de secretary van HUD, maakte bekend dat hun project voor New Meadowlands een van de zes winnaars is. Er wordt een budget van 150 miljoen dollar vrijgemaakt om de eerste fase te realiseren. "We hebben een analyse van alle mogelijke risico's gemaakt, zoals het overstromingsgevaar, pollutie en de kwetsbaarheid van vitale netwerken", vertelt Alexander D'Hooghe. "Op basis daarvan hebben we enkele zeer kwetsbare gebieden geïdentificeerd. Een daarvan is Meadowlands, een enorm gebied ten westen van Manhattan. In veel opzichten is het een spiegelbeeld van Manhattan. Meadowlands ligt in een bassin, terwijl Manhattan op een rots ligt." Het collectief van CAU en de Nederlandse bureaus wil een groot deel van het bassin overstroombaar laten, als een groot regionaal landschapspark met een ingenieus dijkensysteem. Het wordt afgezoomd met een groene berm, die de verbinding naar de ontwikkelbare delen maakt. "Daar willen we het unieke karakter van dat stadsdeel bewaren", zegt D'Hooghe. "We vertrekken dus vanuit de huidige functionaliteit van Meadowlands -- een mix van logistiek, lichte industrie en wonen en werken. Het karakter van het gebied willen we behouden en aantrekkelijker maken. Daarbij delen we het nieuwe stadsdeel op in segmenten, die apart kunnen worden gerealiseerd. Elk segment biedt bescherming voor de achterliggende wijk." Dat segmenteren sluit aan bij de visie van D'Hooghe om grote ideeën te koppelen aan concrete vraagstukken. "De beste manier om een stad te bouwen, is per wijk te werk te gaan", zegt hij. "Grote theorieën over de stad zijn interessant, maar ze blijven doorgaans heel abstract. Op wijkniveau kun je echt aan oplossingen werken." D'Hooghe heeft iets met pleinen. In Anderlecht, Beveren, Tervuren, Asse en naar alle waarschijnlijkheid ook in Ghana komen er pleinen naar een ontwerp van ORG. "Een plein realiseren op een plek die niet vanzelfsprekend is, is een mooie uitdaging. Dat gaat veel verder dan de juiste tegel kiezen of een leesbare vorm ontwerpen. Cruciaal voor het succes van een plein is de wiring. Waar komen de mensen vandaan? Waar gaan ze naartoe? Welke stromen zijn er al? Welke kun je initiëren en hoe laat je die met elkaar interageren? Dat is een orkestratie van het publieke leven." D'Hooghe geeft met zijn bureau een alternatieve invulling aan de term 'duurzaam bouwen'. Hij wil gebouwen maken die veel aankunnen, die door de tijd van functie kunnen wisselen en toch aantrekkelijk blijven. "Belangrijk is dat je het gebouw voldoende diep maakt", zegt hij. "Een klassiek gebouw heeft een standaarddiepte van 15 à 20 meter. In Anderlecht en Beveren bouwen we met een diepte van 35 tot 40 meter. Dat vergroot de flexibiliteit en het heeft een positief effect op de energieberekening." Voor de bouw van een jeugdcentrum en een brandweerkazerne in Asse ging hij nog een stap verder: het project speelt leentjebuur bij de industriebouw, een segment waar veel architecten hun neus voor ophalen. "De industriebouw is fantastisch. Het heeft enkele systemen geoptimaliseerd. Dat levert misschien geen grote architectuur op, maar het maakt gebouwen wel betaalbaarder, waardoor er misschien financiële ruimte ontstaat voor andere leuke dingen, zoals een mooie publieke ruimte." Hoe kijkt Alexander D'Hooghe naar de versnipperde Vlaamse voorsteden? "Ik ken de pleidooien voor de compacte stad, en vind die verdedigbaar. Maar dat gaat vaak gepaard met een ontkenning van de realiteit. Ook in de stadsrand hoor je verzet tegen de druk van de verstedelijking. Je kunt natuurlijk wel zeggen dat je die niet wilt, maar dat helpt niet. Als je je hoofd ervoor in het zand steekt, kun je dat onvermijdelijke proces niet beïnvloeden. Ik pleit voor een proactieve aanpak: de oprukkende verstedelijking in de rand benutten om er interessante dingen mee te doen." Volgens D'Hooghe is Vlaanderen één groot halfstedelijk gebied. Hij ziet parallellen met steden zoals Los Angeles en Houston. "Maar wij hebben nog een unieke troef: het netwerk van middeleeuwse kernen." Daarnaast hoort Vlaanderen thuis in het rijtje van succesvolle stadstaten, landen en regio's zoals Singapore, Hongkong, Israël of Randstad Holland. "Het zijn gebieden met een beperkt territorium, waar ze zorgvuldig mee moeten omgaan", aldus D'Hooghe. "Vandaar dat ze vaak een sterke planningtraditie hebben. Ze hebben geen eigen resources, behalve de brains van de bevolking en een ontwikkelde handelsgeest. Maar met die combinatie hebben ze wel een belangrijke positie in de wereldeconomie verworven, waardoor ze eigenlijk zwaar boven hun gewicht boksen. Ook wij hebben dat te bieden." "Bovendien hebben we een historische cultuur van vakmanschap. Die dateert al van de twaalfde eeuw, met de kathedralenbouwers en de houtsnijwerkers. Als we dat kunnen koppelen aan een assertievere houding in de wereld, ben ik zeer optimistisch over Vlaanderen." LAURENZ VERLEDENS, FOTOGRAFIE PAT VERBRUGGEN"Vlaanderen heeft een historische cultuur van vakmanschap"