Dertig topindustriëlen en leden van sectorfederaties hebben acht keer vergaderd sinds september 2005. De Ravensteingroep, naar de naam van de straat waar het VBO is gevestigd, noemen ze zich. Onder leiding van John Dejaeger, tot voor kort de gedelegeerd bestuurder van chemiebedrijf BASF, en Pieter Timmermans, directeur-generaal van het VBO, stelde de groep een stevig document samen "Sporen voor een duurzaam industriebeleid in België".
...

Dertig topindustriëlen en leden van sectorfederaties hebben acht keer vergaderd sinds september 2005. De Ravensteingroep, naar de naam van de straat waar het VBO is gevestigd, noemen ze zich. Onder leiding van John Dejaeger, tot voor kort de gedelegeerd bestuurder van chemiebedrijf BASF, en Pieter Timmermans, directeur-generaal van het VBO, stelde de groep een stevig document samen "Sporen voor een duurzaam industriebeleid in België". De Ravensteingroep keek niet naar bevoegdheidsverdelingen. Industriebeleid is trouwens voor een groot deel een zaak van de regio's. Het VBO wilde echter een document opstellen dat een leidraad moet zijn voor het industriebeleid voor de komende tien jaar. "Pas in de sensibiliseringsfase zullen we zien wat op welk niveau moet worden behandeld," zegt Pieter Timmermans. "En dan zullen we samenwerken met diegenen die daar bevoegd zijn."Het rapport is het tweede deel van de erfenis van de vorige VBO-voorzitter, Luc Vansteenkiste, die de federale werkgeversfederatie inspireerde tot offensief denken rond drie belangrijke thema's: diensten, industrie en bouw. Het dienstenplatform leverde vorig jaar zijn werkstuk af dat aantoont hoe we in het buitenland nog meer kunnen halen uit de Belgische gezondheidszorg. Het bouwplatform moet later op het jaar zijn plan voorstellen. JOHN DEJAEGER. "Dat de industrie belangrijk is. Een op vier Belgische werknemers werkt in de industrie, maar die is wel goed voor meer dan driekwart van de export en meer dan driekwart van de O&O-investeringen. Ze staat voor bijna 30 % van de toegevoegde waarde. We hebben de industrie dus nodig om onze welvaart te behouden. We springen er te weinig zorgzaam mee om. Onze welvaart zal serieus verminderen als we voort desindustrialiseren. "De situatie is onrustwekkend. De industriële investeringen zijn sinds 2000 beduidend afgenomen en onze exportmarktaandelen verkleinen sinds ruim tien jaar, wat niet het geval is bij landen zoals Duitsland. De werkgelegenheid in de industrie is in minder dan 25 jaar met een derde teruggelopen. De voornaamste oorzaak is de uitbesteding van taken. Slechts 21 % van de banen die tussen 1990 en 1999 verloren gingen, zijn het gevolg van delokalisatie. "Om die problemen te keren, hebben we gekozen voor een horizontale aanpak. We pleiten voor een globale aanpak van de randvoorwaarden. Zo creëren we een kader voor ondernemers om industriële activiteiten te ontwikkelen."PIETER TIMMERMANS. "We laten ons niet verleiden tot het aanwijzen van 'de sectoren van de toekomst'. Ook op Europees vlak doet men dat niet." DEJAEGER. "In onderzoek en ontwikkeling worden er ruime budgetten vrijgemaakt op Europees, federaal en regionaal vlak. Daar ontstaan clusters rond. Zo hebben we rond Gent biotech, rond Leuven micro-elektronica en rond Luik biofarma. Maar dit is te weinig en het gaat onvoldoende snel." TIMMERMANS. "Werkgevers innoveren niet, wordt gezegd. Het klopt dat het klassieke innovatiedenken bij een zeer beperkte groep van bedrijven zit. 80 % van de O&O-uitgaven in België is geconcentreerd in twaalf tot vijftien ondernemingen. Bovendien kennen we in ons land een technologiepush, en veel minder een marketingpull. Of de uitvinding iets opbrengt of niet, het belangrijkste is dat de uitvinding er is. In de VS zal men meer kijken naar het nut van een uitvinding voor het bedrijfsleven." TIMMERMANS. "Zeker niet. We willen ook waarschuwen dat men de industrie niet mag beladen met alle zonden van Israël. In het CO2-debat is altijd de industrie de boosdoener. Dat is makkelijk, je ziet de schouwen staan die aan het roken zijn. Maar de industrie heeft de jongste vijftien jaar net het meest bijgedragen tot de vermindering van de CO2-uitstoot." DEJAEGER. "Ik vind het een gebrek aan moed van de politici dat ze dit niet zeggen. CO2-beperking, klimaatverandering, Kyoto zijn zaken voor iedere burger en dat moeten we durven zeggen aan de burger." DEJAEGER. "Onze industrie had vrij goede voorwaarden voor energie. Dat moeten we niet ontkennen. Hier was een markt die op zich bestond in Europa. Nu is de energiemarkt geliberaliseerd zonder dat daar de infrastructuur voor aanwezig is. Met als gevolg dat de prijzen in Europa genivelleerd zijn, maar op een hoger niveau. Het type industrie dat we hier hebben, verbruikt ook meer energie dan gemiddeld in de industrie elders." TIMMERMANS. "Het heeft ook te maken met het beleid dat gevoerd is. Er werd eerst beslist kernenergie af te bouwen. Vervolgens werd de concurrentie verhoogd. Maar vooraleer de concurrentie goed speelde, werden al taksen ingevoerd. En de alternatieven zijn er nog niet of onvoldoende." DEJAEGER. "We moeten los van de ideologie naar het probleem van kernenergie kijken. De uitstap moet op lange termijn zeker opnieuw geëvalueerd worden." DEJAEGER. "We vinden dat het stoppen met kerncentrales vanaf 2015 ten minste in een zinvol debat opnieuw bekeken moet worden." DEJAEGER. "Het is een pragmatisch rapport. We willen de deur niet dichtslaan. Polariseren helpt niet. Als de uitstap uit de kernenergie kan opschuiven van 2015 naar 2030, zoals in Nederland, is dat misschien al een opening. We pleiten zeker niet voor een vrijgeleide voor kernenergie voor de volgende honderd jaar." TIMMERMANS. "Als we een polemisch en sloganesk document zouden maken, worden we opnieuw in het hoekje geplaatst van de klagers en de oude dinosaurussen. We proberen een eerlijke analyse te maken, in eigen boezem te kijken en sporen aan te wijzen die bewandeld moeten worden. En daarover willen we in contact treden met alle stakeholders. Kerncentrales sluiten in 2015 lijkt ons niet realistisch, maar we zeggen niet dat er tien centrales moeten bijkomen. We willen ook nadenken over het kernafval. We kunnen daar innovatief in optreden en met onze kennis er een opportuniteit van maken." TIMMERMANS. "Er moet een Europese benadering komen als antwoord op de geopolitieke spanningen in Europa en met Rusland, dat de toevoer stopt naar bepaalde landen." DEJAEGER. "We gaan al tien jaar achteruit met onze competitiviteit. Dan is het logisch dat er minder wordt geïnvesteerd. Sectoren als chemie en metaal zijn kapitaalintensief. Die investeringen worden niet van de ene dag op de andere naar het buitenland verplaatst. Maar als er van herinvestering sprake is, wordt wel de vraag gesteld waar die moet gebeuren. Er gebeuren zelfs minder vervangingsinvesteringen. Het is vijf voor twaalf. Het aandeel van de industrie in de toegevoegde waarde blijft rond de 30 %. Maar als de trend in dezelfde richting blijft gaan, dan zal de toegevoegde waarde ook worden gereduceerd. En dan hebben we een serieus probleem van verlies aan welvaart, aan rijkdom." TIMMERMANS. "Eerst en vooral kostenmaatregelen om onze competitiviteit te herstellen. Ten tweede aandacht voor de logistiek. We pleiten voor de oprichting van een nationaal logistiek platform. We hebben een logistiek voordeel, maar als we daar niet coherent mee omgaan, zouden we dat kunnen verliezen. Ten derde, innovatie meer doelgericht maken. Dat betekent ook de kosten van onderzoekers verminderen, meer samenwerking tussen bedrijven en universiteiten, meer ontwikkelen van spin-offs." DEJAEGER. "De jongste dertig jaar hebben wij het minst geïnvesteerd in infrastructuur van alle landen van de EU15. Als we niet oppassen, dan zal Antwerpen niet meer haven nummer twee zijn, maar haalt Hamburg ons in. Meer en meer worden allerhande semi-industriële taken aan logistieke specialisten uitbesteed (de zogenaamde value added logistics). De markt oriënteert zich naar producten 'op maat'. Sommige, buiten Europa gemaakte, halfafgewerkte producten zullen voor hun eindafwerking naar België worden vervoerd." TIMMERMANS. "We zijn een voorschot groot in de woelige Europese zee. Het is dan enorm spijtig als je niet regio-overschrijdend werkt." DEJAEGER. "Er zijn drie grote markten: Europa, Amerika en Azië. Er gaat niet zo'n grote dreiging uit van Azië. Dat is een markt op zich die een enorme groei kent. We moeten meer initiatieven nemen in Azië. We kunnen taken laten uitvoeren op plaatsen waar de loonkosten laag zijn. Maar dan moeten we wel activiteiten met hogere toegevoegde waarde hier houden. De industrie moet zich dus transformeren." TIMMERMANS. "Het aantal mensen dat echt risico wil nemen, is erg beperkt. Dat is een punt van zelfkritiek. We moeten meer beslissingcentra naar hier halen. Dat geeft een stuk verankering van de industrie. De notionele intrest is daarvoor een goed instrument." DEJAEGER. "We hebben die industrie en die levert een enorme bijdrage aan de toegevoegde waarde. We moeten inderdaad zorgen dat we meer eindproducten produceren. Zolang we in die transformatie zitten, moeten we de bestaande industrie verzorgen en koesteren. Onze hoge productiviteit is een positief element. Maar ze is ook een teken dat de tewerkstelling niet aantrekt zoals dat zou moeten. We slagen er niet in de goede conjunctuur te vertalen in meer tewerkstelling omdat de loonkosten te hoog zijn en daardoor arbeidsuitstotend. Dat is een enorm probleem." DEJAEGER. "Ik denk dat beide complementair zijn. Ti2 is vooral naar bedrijven en ondernemers gericht. Wij hebben geprobeerd een boodschap te brengen voor alle stakeholders." TIMMERMANS. "Uiteraard. Dit is een visie van industriëlen, los van bevoegdheidsverdelingen. We starten het debat om dit plan trachten te implementeren." DEJAEGER. "Antwerpen is dé chemiecluster van Europa. Energiekosten zijn in deze sector zeer belangrijk. Loonkosten zijn vaak 30 % van de toegevoegde waarde. Daar verliezen we aan competitiviteit. We hebben geen goedkope grondstoffen zoals in het Midden-Oosten. Veel investeringen in intermediaire producten kunnen worden verplaatst naar het Midden-Oosten. Daar moeten we ons van bewust zijn." TIMMERMANS. "Het beleid mag niet vervallen in een houding die ze vrij gemakkelijk aanneemt: met de chemie kan toch niets gebeuren, we kunnen ons daar iets veroorloven. Die tijd is voorbij." DEJAEGER. "De grote chemie-investeringen dateren allemaal van de jaren zestig en zeventig. Na dertig tot veertig jaar zijn veel installaties toe aan herinvestering. Er is een nieuwe technologie en er moet een nieuwe fabriek worden gebouwd. Komt ze nog automatisch naar Antwerpen? Of gaat ze naar een andere regio?" DEJAEGER. "Dat is zo. Ik zou me dus meer zorgen maken over de chemie dan men op het eerste gezicht zou denken. Ook andere landen zitten niet stil." Guido Muelenaer