Antwerpen telt 3000 werklozen die niet inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt, terwijl Vlaanderen ettelijke duizenden openstaande vacatures telt, ook voor laaggeschoolden. Weliswaar maken die 3000 Antwerpenaren deel uit van een groep die eigenlijk hopeloos verloren is voor de arbeidsmarkt. Ze kampen met psychische problemen en hebben geen arbeidsethos meer, want door langdurige werkloosheid weten ze eigenlijk niet meer wat een job is. Zulke mensen zal je wel altijd hebben, maar het is kwestie van die groep zo klein mogelijk te houden. Een preventief beleid kan daar meer aan doen en aan de vooravond van een nieuw schooljaar kan het weinig kwaad om t...

Antwerpen telt 3000 werklozen die niet inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt, terwijl Vlaanderen ettelijke duizenden openstaande vacatures telt, ook voor laaggeschoolden. Weliswaar maken die 3000 Antwerpenaren deel uit van een groep die eigenlijk hopeloos verloren is voor de arbeidsmarkt. Ze kampen met psychische problemen en hebben geen arbeidsethos meer, want door langdurige werkloosheid weten ze eigenlijk niet meer wat een job is. Zulke mensen zal je wel altijd hebben, maar het is kwestie van die groep zo klein mogelijk te houden. Een preventief beleid kan daar meer aan doen en aan de vooravond van een nieuw schooljaar kan het weinig kwaad om te wijzen op de rol die het onderwijs hierin te vervullen heeft. Het is een grijsgedraaide plaat, maar het onderwijs moet gewoon beter worden afgestemd op de behoeften van het bedrijfsleven. Daarvoor zijn al stappen in de goede richting gedaan. Zo begint stilaan het besef te groeien dat jongeren die kiezen voor technisch onderwijs sneller dan wie ook aan een job raken. Het watervalsysteem, waarbij jongeren eerst beginnen aan de humaniora om na een aantal mislukte jaren gedemotiveerd te eindigen in het beroepsonderwijs, is op zijn retour. Jammer genoeg blijft het nog hier en daar bestaan. Denken we maar aan het systeem van de leertijd (het vroegere leercontract) waarbij jongeren vanaf hun vijftiende een vak kunnen leren. Als er één kanaal is dat laaggeschoolde jongeren naar een job moet loodsen, is het dat wel. Direct na het afstuderen heeft 92 % van de jongeren in leertijd een job. Wie volledig ongekwalificeerd is, heeft na een jaar meer dan 40 % kans om nog altijd geen werk te hebben. Dat is de groep die op termijn in de langdurige werkloosheid dreigt terecht te komen. Daarom is de leertijd hét ingangsticket op de arbeidsmarkt voor laaggeschoolde jongeren. Er zijn echter twee problemen. Meer dan de helft van de jongeren in leertijd haakt in de loop van het jaar af. De leertijd kampt nog altijd met een negatief imago. De gemiddelde instapleeftijd bedraagt zeventien jaar, terwijl jongeren vanaf vijftien jaar al in het systeem kunnen stappen. De uitstroom is voor een deel te verklaren door het feit dat ze op hun achttiende een voltijdse job aannemen. Sommigen zijn daarmee definitief gelanceerd op de arbeidsmarkt, maar wie plots weer in de werkloosheid terechtkomt, beschikt over te weinig vaardigheden en neemt eigenlijk een abonnement op langdurige werkloosheid. Die categorie is zeer moeilijk te integreren op de arbeidsmarkt en voor hen komt de sociale en economische marginaliteit dreigend dichtbij. Jongeren die afhaken tijdens de leertijd denken best twee keer na: als ze even doorbijten zijn ze levenslang zeker van een job, want de functies waarvoor ze in aanmerking komen, zijn steevast knelpuntberoepen. Maar ook aan werkgeverskant stelt zich een probleem. Te veel bedrijven beschouwen de leertijd als de onderkant van de onderwijsladder en staan dus huiverig tegenover het aanwerven van stagiairs. Vanuit het opleidingcentrum Syntra wordt weliswaar samengewerkt met federaties als Unizo, de Bouwunie of Federauto om de leertijd aantrekkelijker te maken. Maar als de ondernemingen zelf de stap niet willen doen, hebben zulke initiatieven weinig zin. (T)Door Alain Mouton