5,3%. Dat is volgens de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) het percentage waarmee de lonen van de Belgische werknemers de komende twee jaar maximaal mogen stijgen. In die loonnorm van 5,3 % bevinden zich echter ook al 3,3 % loonstijgingen ten gevolge van de verwachte inflatie. Daarnaast moet rekening worden gehouden met een loondrift of met de barema's, nog eens 1 %. Dat betekent dat er tijdens de sociale onderhandelingen tussen vakbonden en werkgevers slechts ruimte is voor 1 % reële loonstijging.
...

5,3%. Dat is volgens de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) het percentage waarmee de lonen van de Belgische werknemers de komende twee jaar maximaal mogen stijgen. In die loonnorm van 5,3 % bevinden zich echter ook al 3,3 % loonstijgingen ten gevolge van de verwachte inflatie. Daarnaast moet rekening worden gehouden met een loondrift of met de barema's, nog eens 1 %. Dat betekent dat er tijdens de sociale onderhandelingen tussen vakbonden en werkgevers slechts ruimte is voor 1 % reële loonstijging. En ook bij dat luttele 1 % moeten we een groot vraagteken plaatsen. Samen met zijn advies maakte de CRB bekend dat de lonen de voorbije twee jaar met 5,9 % gestegen zijn, terwijl de toename bij onze buurlanden beperkt bleef tot 4,5 %. Meteen worden hier twee zaken aangetoond. Primo: de loonnorm werkt niet. Die werd in 1996 ingevoerd en bepaalde dat onze lonen niet sneller mochten stijgen dan in onze buurlanden. De recente cijfers tonen aan dat die norm onze loonkostenhandicap niet heeft doen afnemen. Secundo: er is geen marge meer voor loonsverhogingen. Volgens de vakbonden is er echter geen vuiltje aan de lucht. Zij waren er als de kippen bij om te beklemtonen dat er wel degelijk ruimte is voor reële loonstijgingen. Hun argument: het zijn individuele loonstijgingen op ondernemingsniveau die de overschrijding van de loonnorm hebben veroorzaakt. Alsof de werkgevers de loonkosten voor hun plezier zouden verhogen. Het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) berekende dat een toename van de reële loonkosten met 1 % leidt tot een afname van de werkgelegenheidsgroei met 0,4 % op korte termijn. Ander argument van de vakbonden: onze hogere loonstijging gaat gepaard met veel betere tewerkstellingresultaten sinds 1996. Terwijl onze werkgelegenheidsgraad (59,6 %) een stuk lager ligt dan bij onze buurlanden. Begrijpe wie kan. De vakbonden wentelen zich blijkbaar in een eigen soort negationisme. Zo maken ze elke diepgaande discussie over de werking van onze arbeidsmarkt en het bestaande sociaal-overlegmodel onmogelijk. Nochtans moeten er dringend twee taboes doorbroken worden: eerst en vooral moet komaf worden gemaakt met ons systeem waarbij de anciënniteit als heilige koe wordt beschouwd. Verloning moet er komen op basis van prestatie en niet op basis van het aantal dienstjaren. Dat zou een discussie rond baremaverhogingen alvast vereenvoudigen. Ten tweede is er het sociaal overleg zelf. De sociale partners buigen zich de komende maanden over de noodzaak van een meer flexibele arbeidsmarkt. Als we daar echt werk van willen maken, moeten we ook de centralisering van de loon- en arbeidsvoorwaarden in vraag durven stellen. Waarom kunnen we niet komen tot formules die de loon- en arbeidsvoorwaarden meer en beter afstemmen op de context van de concrete onderneming of zelfs de individuele werknemer in plaats van het interprofessionele niveau of de sector? Maar dat betekent met- een dat we ons de vraag moeten stellen of het huidige sociaal-overlegmodel nog van deze tijd is. En de kans dat deze denkoefening op korte termijn zal worden gemaakt, is zo goed als onbestaande. alain mouton