JP Morgan Asset Management heeft zich de voorbije jaren meer en meer gespecialiseerd in aandelenfondsen die beleggen in grote Europese kapitalisaties. Verscheidene van die producten hebben een hoge Morningstar-rating en beheren meerdere miljarden aan activa. Door het succes werd het fonds JP Morgan - Equity Europe Plus gesloten voor nieuwe inschrijvingen, om de beleggingsfilosofie en de prestaties van het fonds te beschermen.
...

JP Morgan Asset Management heeft zich de voorbije jaren meer en meer gespecialiseerd in aandelenfondsen die beleggen in grote Europese kapitalisaties. Verscheidene van die producten hebben een hoge Morningstar-rating en beheren meerdere miljarden aan activa. Door het succes werd het fonds JP Morgan - Equity Europe Plus gesloten voor nieuwe inschrijvingen, om de beleggingsfilosofie en de prestaties van het fonds te beschermen. Het op één na grootste fonds in het gamma is Europe Strategic Dividend, dat wordt beheerd door Michael Barakos en Thomas Buckingham. Het focust op Europese bedrijven die hoge dividenden uitkeren. "Het fonds maakt deel uit van de largecapfondsen van onze groep", zegt Buckingham. "Europe Strategic Growth zet in op groeiaandelen, Europe Strategic Value op laag gewaardeerde aandelen." De drie producten combineren een kwantitatieve met een kwalitatieve benadering. "We gebruiken een filter om in ons brede beleggingsuniversum de bedrijven op te sporen die een hoog dividend uitkeren. Daaruit selecteren we de ondernemingen die dat dividendbeleid kunnen volhouden." "Als er een consensus is onder analisten dat de resultaten structureel zullen dalen, bestaat het risico dat de groep haar dividend niet kan handhaven. En soms kan er een goede reden zijn voor de koersdaling van een aandeel", zegt Buckingham. Die kwantitatieve filter reduceert 1800 aandelen tot ongeveer 550. De overblijvende aandelen ondergaan een grondig fundamenteel onderzoek, om te bepalen welke factoren een impact hebben op de resultaten van de groep. "Uiteindelijk houden we ongeveer 300 aandelen over. Die nemen we op in de portefeuille. Gemiddeld schommelt het gewicht van een lijn in de portefeuille rond 0,3 procent." Het individuele risico op een positie is dus extreem laag. Eén keer per maand ondergaat de portefeuille een kwantitatieve screening. "Om de transactiekosten te beperken, verkopen we een positie pas vanaf het moment dat het aandeel niet langer tot de 40 procent bedrijven met het hoogste dividendrendement behoort. Zo vermijden we dat onze portefeuille bepaalde aandelen om de maand opneemt en verwijdert", legt Buckingham uit. Het is ook mogelijk dat een aandeel door een onvoorziene gebeurtenis uit de portefeuille verdwijnt. "Het management kan zijn dividendbeleid aanpassen in het nadeel van de aandeelhouders, of het kan een winstwaarschuwing geven. In zo'n geval sluiten we onze positie meestal heel snel af." Sommige gebeurtenissen kunnen de inschatting van het toekomstige rendement van een aandeel of een sector veranderen. "Toen de oliekoersen in vrije val waren, hebben we met onze analisten bekeken in welke mate oliegroepen werden getroffen, hoe stabiel hun balans was en op welke manier het management dat probleem ging aanpakken", aldus Buckingham. "Onze analyse was positief voor de meeste Europese oliereuzen, maar toonde de kwetsbaarheid van de oliedienstensector, waarin we onze posities aanzienlijk hebben teruggeschroefd." Op sectorniveau is de portefeuille van Europe Strategic Dividend overwogen in financiële aandelen (verzekeraars en vastgoedbedrijven), telecomwaarden, nuts- en cyclische bedrijven. Sectoren als farmaceutica en consumptiegoederen hebben een laag gewicht. Ze waren de voorbije jaren zeer populair, maar de rendementen volstaan volgens de beheerders niet langer om nog in aanmerking te komen voor de portefeuilles. Geografisch is het gewicht van Groot-Brittannië in de portefeuille vrij groot. "De Britse largecaps zijn grotendeels mondiaal gericht. Zij zullen in principe weinig impact ondervinden van de brexit", zegt Buckingham. "Het rendement van het fonds schommelt rond 5 procent, tegenover 3,8 procent voor onze referentie-index. Dat verschil is min of meer gelijk sinds ons fonds in februari 2005 werd gelanceerd." Frédéric Dineur