De ministerraad van vorige week vrijdag besliste een sociale top op 12 en 13 april te houden. De jeugdwerkloosheid wordt een van de onderwerpen. Terecht, want één op vijf jongeren van minder dan 25 jaar is werkloos. Dat is erg. Heel erg zelfs, want zodra iemand langer dan zes maand in de werkloosheid zit, nemen zijn kansen om nog werk te vinden zeer snel af.
...

De ministerraad van vorige week vrijdag besliste een sociale top op 12 en 13 april te houden. De jeugdwerkloosheid wordt een van de onderwerpen. Terecht, want één op vijf jongeren van minder dan 25 jaar is werkloos. Dat is erg. Heel erg zelfs, want zodra iemand langer dan zes maand in de werkloosheid zit, nemen zijn kansen om nog werk te vinden zeer snel af. Tegelijk zoeken de Antwerpse havenbedrijven enkele honderden werknemers die ze niet kunnen vinden. Er is op de arbeidsmarkt duidelijk een mismatch tussen vraag en aanbod. Een hogere scholing kan een oplossing betekenen voor knelpuntberoepen zoals blijkbaar havenarbeiders dat nu ook al zijn. Maar meer ook niet. Er moeten in de eerste plaats meer banen komen voor de jongeren. Het is vooral de inflexibiliteit van de arbeidsmarkt die dat tegenhoudt. Er zijn twee belangrijke hinderpalen: de ontslagbescherming en de hoge loonkosten. Beide hebben te maken met de onzekerheid van de werkgever over het potentieel van de jongere. Hij heeft nog geen track record en dus neemt de werkgever een risico met zijn aanwerving. De loonkosten voor jongeren moeten dus naar beneden. De regering heeft daartoe al stappen gezet met allerlei lastenverlagingen voor jongeren en lage lonen. Maar meer is welkom. Tegelijk moet het loon hoog genoeg blijven om het financieel interessant te maken om uit de werkloosheid te stappen. De bandbreedte tussen de werkloosheidsvergoeding en het loon lijkt immers smal. Maar vaak is dit een vals beeld. Te vaak wordt een minimumloon vergeleken met een maximumuitkering. En dat is fout. Jongeren die nog niet of onvoldoende hebben gewerkt - en dat is de ruime meerderheid onder de jongere werklozen - moeten het stellen met een wachtuitkering. Een alleenstaande negentienjarige schoolverlater krijgt 374 euro. Hier kan geen sprake zijn van een werkloosheidsval. Er is dus enerzijds een gebrek aan banen, maar anderzijds blijkt uit onderzoek dat slechts 60 % van de werklozen echt werkzoekend is. Voor velen is de uitkering bijvoorbeeld een interessante aanvulling bij een inkomen uit zwartwerk. Het is ondenkbaar dat in Brussel tot één derde van de jongeren geen werk heeft en dat dit niet leidt tot een soort sociale revolutie. Omdat een groot aantal onder die jongeren, om allerlei redenen, genoegen neemt met zijn situatie? De verstrengde aanpak van de werklozen is dan ook terecht. Een striktere controle om hen aan te zetten een job of opleiding te aanvaarden, is noodzakelijk. De stok moet gebruikt worden en men moet hem niet weer opbergen omdat men roept dat het pijn doet. Een versoepeling van de controle is niet gewenst. Zelfs al zijn het vooral de zwakkeren die getroffen worden. Zodra de striktere controle haar vruchten afwerpt, wordt het tijd voor een tweede hervorming die de échte werklozen ten goede komt. Wie vandaag een goede baan heeft en werkloos wordt, krijgt een zware klap. Maar wie weinig wordt betaald en in de langdurige werkloosheid verzeilt, doet veel minder verlies met werkloos te blijven. Met andere woorden, de sociale uitkeringen moeten hoger in de eerste zes maanden, dan sneller dalen en ten slotte na drie of vier jaar eindigen. Een goed bijstandsysteem moet vermijden dat dit tot meer armoede leidt. Guido Muelenaer