De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. Vennootschappen zijn onder bepaalde voorwaarden niet met- een onderworpen aan het gewone tarief van de vennootschapsbelasting (33 % plus drie opcentiemen aanvullende crisisbijdrage). Voorzover hun fiscaal resultaat een bepaalde grens niet overschrijdt, vallen zij onder de toepassing van het verlaagd opklimmend tarief. MINIMAAL. Een van de voorwaarden luidt dat de vennootschap aan ten minste één van haar bedrijfsleiders een minimale bezoldiging moet toekennen. Die voorwaarde is indertijd uitgedacht omdat men had vastgesteld dat nogal wat personen ervoor opteren hun beroepsactiviteit onder te brengen in een vennootschap, om aldus een rem te zetten op het betalen van socialezekerheidsbijdragen. Op inkomsten van de vennootschap die bijvoorbeeld in de vorm van dividenden worden uitgekeerd, zijn geen sociale bijdragen verschuldigd. Hetzelfde geldt onder meer voor de inkomsten die de vennootschap in de vorm van interesten verlaten. Door de toekenning van het verlaagd opklimmend tarief van de vennootschapsbelasting te koppelen aan de eis dat de vennootschap aan minstens één van haar bedrijfsleiders een minimale bezoldiging moet uitkeren, heeft de wetgever ervoor gezorgd dat alvast op deze minimale bezoldiging socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn. GRENS. Hoe hoog is de grens? Gedurende vele jaren lag die op 24.500 euro. Voor het aanslagjaar 2005 is de grens opgetrokken naar 27.000 euro. Voor het aanslagjaar 2006 (doorgaans dus voor de inkomsten van 2005) bedraagt zij 30.000 euro. Voor het daaropvolgende aanslagjaar (2007) stijgt zij naar 33.000 euro, om vanaf het aanslagjaar 2008 te belanden op 36.000 euro. Op deze regeling bestaan slechts twee uitzonderingen. Coöperatieve vennootschappen die erkend zijn door de Nationale Raad van de Coöperatie zijn vrijgesteld van deze minimale bezoldigingseis. Een tweede uitzondering betreft vennootschappen met een zeer klein fiscaal resultaat. Neem bijvoorbeeld een vennootschap die voor het aanslagjaar 2006 een fiscaal resultaat heeft van slechts 20.000 euro. Normaal zou de minimale bezoldiging voor dit aanslagjaar 30.000 euro moeten bedragen. De vennootschap wordt evenwel geacht aan de gestelde voorwaarde te hebben voldaan, als zij aan ten minste één van haar bedrijfsleiders een bezoldiging heeft toegekend die minstens gelijk is aan het fiscaal resultaat (in dit geval: 20.000 euro). BEDRIJFSLEIDER. De minimale bezoldigingseis veronderstelt dat de vennootschap aan één van haar bedrijfsleiders een dergelijke bezoldiging toekent. Niet vereist is dus dat alle bedrijfsleiders een minimale bezoldiging ontvangen. Eentje volstaat. Maar het moet wel een bedrijfsleider zijn in de fiscale betekenis van het woord. Doorgaans wordt aangenomen dat de bedrijfsleider aan wie de minimale bezoldiging wordt toegekend, een natuurlijke persoon moet zijn. Dat een bepaalde bezoldiging wordt toegekend aan een bestuurder die zelf een vennootschap is, volstaat niet. Dat stemt overeen met de bedoeling van de wetgever. Bestuurders/vennootschappen zijn geen socialezekerheidsbijdragen verschuldigd op de inkomsten die zij verkrijgen. De bedoeling om de inning van sociale bijdragen veilig te stellen kan dus alleen worden bereikt als de minimale bezoldiging aan een natuurlijke persoon wordt uitgekeerd. ATTRACTIE. De vennootschap moet er zorg voor dragen dat zij een van haar bedrijfsleiders/natuurlijke personen voldoende bezoldigt. Wat als die bedrijfsleider (zaakvoerder, bestuurder enzovoort) in dezelfde vennootschap ook als werknemer bedrijvig is? Denk aan de interne boekhouder die tegelijk een zitje in de raad van bestuur krijgt. Mag dan ook rekening worden gehouden met de bezoldigingen die de betrokkene, niet in zijn hoedanigheid van bedrijfsleider, maar wel in zijn hoedanigheid van werknemer verkrijgt? Voor de toepassing van de minimale bezoldigingseis vormt dit geen probleem. Op het gebied van de personenbelasting geldt immers het fameuze attractiebeginsel. Het impliceert dat alles wat een bestuurder van zijn vennootschap aan beroepsinkomsten ontvangt, automatisch als een bezoldiging van bedrijfsleiders wordt aangemerkt. Bij een bestuurder die daarnaast bijvoorbeeld ook nog de functie van boekhouder heeft, zal de vennootschap dus met diens hele bezoldiging rekening mogen houden om te evalueren of aan de minimale bezoldigingseis is voldaan. En wat als iemand naast zijn bezoldigde activiteit als werknemer ook nog onbezoldigd bestuurder is? Komen zijn bezoldigingen (als werknemer) dan ook in aanmerking? Normaal gezien zou dat betwijfeld kunnen worden. Het Arbitragehof heeft vier jaar geleden beslist dat het fameuze attractiebeginsel dan niet speelt. De betreffende persoon geniet bijgevolg geen bezoldigingen als bedrijfsleider. Maar in een nieuw arrest komt het Arbitragehof tot de slotsom dat ook dan met de genoten bezoldiging (als werknemer) rekening gehouden mag worden om te beoordelen of aan de minimale bezoldigingseis voldaan is (arrest van 16 februari 2005). Van een ontwijking van sociale bijdragen is immers ook in dit geval geen sprake. Ook onbezoldigde mandaten tellen mee om te beoordelen of aan de minimale bezoldigingseis is voldaan.