Prijzen rond 100 dollar voor een vat ruwe olie zijn in principe zelfvernietigend. In een normaal werkende oliemarkt zou de vraag verminderen als reactie op de hoge prijs en zouden de oliemaatschappijen als gekken meer olie oppompen om te profiteren van deze hoge prijzen. In een normale markt had de olieprijs daarom nooit 80, 90 of straks misschien 100 dollar per vat gehaald. In een normale markt was de prijs in de buurt gebleven van de kostprijs om een vat ruwe olie naar de markt te brengen. Die kostprijs varieert van 3 dollar (voor de makkelijkst op te pompen olie in Saudi-Arabië) tot 40 dollar (om een vat te puren uit de Canadese teerzanden).
...

Prijzen rond 100 dollar voor een vat ruwe olie zijn in principe zelfvernietigend. In een normaal werkende oliemarkt zou de vraag verminderen als reactie op de hoge prijs en zouden de oliemaatschappijen als gekken meer olie oppompen om te profiteren van deze hoge prijzen. In een normale markt had de olieprijs daarom nooit 80, 90 of straks misschien 100 dollar per vat gehaald. In een normale markt was de prijs in de buurt gebleven van de kostprijs om een vat ruwe olie naar de markt te brengen. Die kostprijs varieert van 3 dollar (voor de makkelijkst op te pompen olie in Saudi-Arabië) tot 40 dollar (om een vat te puren uit de Canadese teerzanden). Maar de olieprijs flirt(te) wel met 100 dollar en weinig marktkenners verwachten dat de olieprijs zal terugzakken naar het kostprijsniveau plus een billijke winstmarge. De reden: het klassieke marktmechanisme op de oliemarkt functioneert niet meer, zowel aan vraag- als aan aanbodkant. De hoge prijzen koelen op dit moment de vraag te weinig af en kunnen niet genoeg extra productie uitlokken. Het haperende marktsignaal komt hoogst ongelegen. Door de stijgende vraag van de voorbije jaren onder impuls van een sterke wereldeconomie is er nauwelijks reservecapaciteit om onverwachte productieproblemen op te vangen. De reservebuffer bedraagt minder dan 3 % van de huidige productie. De minste verstoring van het aanbod kan schaarste uitlokken en de prijzen pas goed door het dak jagen. De zenuwen staan daarom strak gespannen, wat zich vertaalt in een risicopremie die de prijs van een vat met 10 tot 20 dollar verhoogt. "Een open internationale oliemarkt leverde altijd al de nodige olie. Die markt moet in ere hersteld worden", waarschuwde Rex Tillerson, CEO van ExxonMobil, vorige week op het wereldenergiecongres in Rome. Maar omgekeerd, als de markt wat ontspant, kan de olieprijs een ferme duik nemen. "Zonder de geopolitieke spanningen in Iran, Venezuela, Irak en Nigeria kan de olieprijs halveren", liet de World Energy Council (WEC) weten in datzelfde Rome. En, zo voegde David Younghoon Kim, CEO van de Zuid-Koreaanse Daesung Group, eraan toe: "In de olieprijs zit 20 dollar speculatie en 20 dollar compensatie voor de daling van de dollar. Een kleine verandering in de markt kan daarom een forse prijsdaling uitlokken. Trouwens, niet de hoge olieprijs is het probleem, maar de forse prijsschommelingen. Die volatiliteit schrikt investeerders af." De prijs zal volgend jaar nog heel volatiel blijven, voorspelt Rex Tillerson. "De cruciale vraag is of de wereldeconomie te maken krijgt met een ernstige economische vertraging. Dat zou meteen een afkoelend effect op de olieprijs hebben." Waarom lokken de hoge olieprijzen niet meer olie naar de markt? Is de olie bijna op? Neen, dat is het punt niet. De populaire peak oiltheorie, die stelt dat de olieproductie nu al zou pieken, werd in Rome consequent van tafel geveegd. Abdallah Ju'mah, de grote baas van het Saudische staatsbedrijf Saudi Aramco, schoot de hoofdvogel af. "Bij het huidige olieverbruik kunnen we nog 200 jaar verder", zei hij zonder blikken of blozen (zie kader: Saudi Aramco: centrale bank van de oliemarkt). Op de Opec-vergadering van vorig weekend beloofden de Saudi's in elk geval om voor "voldoende en betrouwbare" oliebevoorrading te zorgen. Ook het Internationaal Energie Agentschap (IEA), de waakhond van de westerse industrielanden op de oliemarkt, ziet nog voldoende olie in de grond. De mensheid pompte al 1100 miljard vaten ruwe olie op, maar er blijven er op dit moment en bij de huidige technologie nog 4500 miljard ontginbaar. De makkelijkste en goedkoopste olie is natuurlijk al opgepompt, maar de resterende 4500 miljard vaten zitten in een kostprijsvork van 5 tot 70 dollar, lager dus dan de huidige olieprijs (zie grafiek: 4500 miljard vaten in de pijplijn). En wellicht zijn dat geen finale cijfers, omdat er dankzij de technologische vooruitgang steeds meer uit bestaande velden kan worden opgepompt en er nog steeds nieuwe vondsten gedaan worden. Of zoals Peter Odell, een éminence grise uit de oliemarkt, het zegt: "Het olieaanbod is geen kwestie van geologie, maar een kwestie van vraag naar olie." Olie genoeg dus, maar de angel zit in de locatie. De reserves zijn vooral in handen van partijen die weinig oor hebben naar het westerse marktmechanisme. De klassieke westerse olieconcerns als ExxonMobil, BP, Total en Shell zijn eigenlijk maar kleine broertjes op de internationale energiemarkt. ExxonMobil, de grootste uit dit rijtje, levert niet meer dan 2 % van de globale energiebehoefte. De westerse reuzen hebben bovendien de grootste moeite om hun productie en reserves op peil te houden. De olieprijs mag stijgen tot 100 dollar per vat of meer, de westerse majors zijn op korte en langere termijn gewoon niet meer in staat om gevoelig meer olie op de markt te gooien. Staatsbedrijven als Saudi Aramco, Gazprom (Rusland), Pdvsa (Venezuela), Nioc (Iran) en PetroChina zullen het mooie weer moeten maken. Zij kunnen meer olie oppompen en op termijn de stijgende vraag naar olie opvangen. Deze nationale energiemaatschappijen hebben 80 % van de oliereserves in handen en zorgen voor het leeuwendeel van de aanvoer op de oliemarkt (zie grafiek: Staatsbedrijven bepalen aanvoer op oliemarkt). Tekenend is dat ExxonMobil de titel van het bedrijf met de grootste beurswaarde ter wereld onlangs moest doorgeven aan PetroChina (dat weliswaar tegen opgeblazen beurskoersen noteert). De olierijke landen zijn ook steeds minder geneigd om westerse bedrijven uit te nodigen aan het diner. Hoe hoger de olieprijs, hoe weliger het grondstoffennationalisme tiert, en hoe meer ExxonMobil & co. tevreden moeten zijn met de restjes die van tafel vallen. Bovendien dichten de staatsbedrijven de technologische kloof met de privébedrijven steeds sneller. Het argument dat zij onmisbaar zijn als partner om de olievelden te ontginnen, klinkt steeds holler. Deals maken met bedrijven als Gazprom is bovendien een bijzonder risicovolle aangelegenheid. Ondanks de gestegen olieprijs is het investeringsbudget van de westerse bedrijven niet gestegen. De beschikbaarheid van rendabele projecten is te laag, de onzekerheid bij de ontwikkeling van nieuwe te hoog. "Energienationalisme heeft geleid tot nationaliseringen en het eenzijdig opzeggen van contracten met buitenlandse investeerders. Dat is heel schadelijk voor de toekomstige productie, en dus voor de olielanden zelf en ook voor de wereldeconomie. Trouwens, ook Amerika beschikt over heel wat reserves die nog niet toegankelijk zijn", zegt Rex Tillerson, die verwijst naar Alaska en de Golf van Mexico. De wereld houdt de adem in of deze nationale maatschappijen wel voldoende zullen investeren in nieuw aanbod. Alleen zij kunnen de stijgende dorst naar energie lessen. Maar de staatsbedrijven zijn voor hun politieke leiders ook melkkoeien voor andere doeleinden, zoals de uitbouw van sociale voorzieningen om de bevolking achter hun beleid te scharen. Streven de aandeelhouders van de privé-oliebedrijven naar winstmaximalisatie, dan mikken leiders achter de staatsbedrijven op machtsmaximalisatie in binnen- en buitenland. Dat scheelt in het beslissingsproces, want nieuwe investeringen staan in directe concurrentie met andere geldverslindende politieke keuzes. Saudi-Arabië, de oliebondgenoot van de VS, kondigde het grootste investeringsprogramma aan en wil de productiecapaciteit optrekken van negen naar twaalf miljoen vaten per dag. Oliebevoorrading op middellange termijn staat of valt met het succes van dit programma. De vraag is of dat volstaat. Om de energiehonger van de wereld te stillen, moet het aanbod zowat verdubbelen tegen 2050 volgens de WEC. Vandaag hebben 1,5 miljard mensen nog geen toegang tot energie. Er moet niet alleen geïnvesteerd worden in nieuwe capaciteit, ook moet bestaande vervangen worden. Prijskaartje van dat alles: 22.000 miljard dollar tegen 2030. Of jaarlijks zou 2 % van het wereldinkomen geïnvesteerd moeten worden in energie-infrastructuur. Het gros van die som blijft trouwens vloeien naar fossiele brandstoffen, die vandaag nog goed zijn voor 80 % van de wereldwijde energievraag. En dat aandeel zal volgens de specialisten niet meteen dalen. De sterkste groei is bovendien op te tekenen in steenkool, onder meer dankzij China dat de komende acht jaar evenveel steenkoolcentrales wil bouwen als de huidige stroomcapaciteit van Europa, en zich niet laat afschrikken door de opwarming van de aarde. "Een derde van de wereldbevolking heeft nog geen toegang tot energie en zij geven geen bal om het milieuvraagstuk", waarschuwt de WEC. Maar terug naar de markt. Niet alleen het aanbod reageert te weinig op het prijssignaal, ook de vraag reageert veel minder dan gedacht op de dure olie. De wereld blijft bereid om relatief vlot 90 dollar en meer neer te tellen voor een vat ruwe olie. Vooral de stijgende vraag uit China of India geeft nauwelijks een krimp. Volgens de recentste cijfers van het IEA zou de vraag naar olie nog versnellen in 2008, ondanks de prijsstijgingen. Rex Tillerson: "Een van de hoofdredenen van de hoge olieprijs is dat de vraag naar olie tot dusver nauwelijks reageerde op die hoge prijs. Dat komt omdat de consumenten in China en India het prijssignaal niet ontvangen, omdat de energieprijzen er gereguleerd en gesubsidieerd worden. De oliemarkt is dus verre van perfect. Maar er is geen tekort, iedereen kan zoveel olie kopen als hij nodig heeft." China verhoogde begin deze maand de prijzen voor benzine, diesel en andere brandstoffen met 10 %, maar waarnemers verwachten dat deze administratieve beslissing de vraag hoogstens wat kan afremmen. En de wereldeconomie blijft, voorlopig toch, op volle toeren draaien. In de VS, nog altijd de belangrijkste olieconsument, dreigt een recessie en in de andere industrielanden komt er een groeivertraging aan. Maar de dynamiek in de groeilanden en de bijbehorende energievraag is met geen stokken af te remmen. De huidige prijzen zijn, gemeten in koopkracht, nochtans bijna even hoog als begin jaren tachtig, toen een olieschok de wereldeconomie in een diepe recessie joeg. Nu blijkt de impact veel kleiner te zijn, om verschillende redenen. Nu is het de wereldeconomie die de olieprijs stuurt. Dure olie is een gevolg van de sterke groei, vooral in Azië. Bij de vorige olieschokken was het de olieprijs (die toen steeg door het politiek geïnspireerde dichtdraaien van de kraan) die de economie stuurde. De petrodollars worden grotendeels gerecycleerd naar westerse kapitaalmarkten, wat hier de interestvoeten drukt. Ook de export vaart wel bij de vraag uit de olie-exporterende landen. Het monetaire beleid is beter en geloofwaardiger dan bij de vorige olieschok. Gezinnen verwachten geen ontsporing van de inflatie en dus hoeven de centrale banken de rente niet fors op te trekken als reactie op stijgende energieprijzen. Werknemers aarzelen ook om hogere lonen te vragen ter compensatie van duurdere energie door de globalisatie en de snelle technologische veranderingen. De economie is minder energie-intensief geworden. De vraag naar olie lijkt dus vrij stevig op de benen te staan, maar het Opec-kartel is niet van plan om de kraan van de resterende buffercapaciteit verder open te draaien. "De hoge olieprijs is te wijten aan speculatie en dat is niet onze schuld", zeggen de Opec-leden, die als de dood zijn dat de prijzen in elkaar storten zoals in de jaren negentig. Een herhaling zou hun economie en maatschappij ontwrichten. En gezien de ogenschijnlijke sterkte van de vraag, hebben ze geen zin om de rijke stroom oliedollars eigenhandig te decimeren. Als de wereld 90 dollar en meer voor een vat ruwe olie wil betalen, waarom er dan maar 50 of 60 dollar voor vragen? De Opec-leden en hun staatsbedrijven controleren tenslotte de markt. Ze kunnen dus hoge prijzen vragen zonder het risico lopen dat de concurrentie de markt zou overspoelen met meer olie. Vraag en aanbod naar olie zijn dus steeds meer in handen van politieke beslissingen van niet-westerse overheden. Of zij de markt kunnen regelen en voldoende olie kunnen en willen oppompen om de wereld afdoende te bevoorraden tegen betaalbare prijzen, valt nog af te wachten. DEZE WEEK IN CASH: HOE KUNT U ALS BELEGGER INSPELEN OP DE DURE OLIE? EN HOE BESCHERMT U UW PORTFOLIO TEGEN DE RISICO'S VAN EEN HOGERE INFLATIE EN LAGERE ECONOMISCHE GROEI? Door Daan Killemaes/ Foto Reporters