Hoe overleven de revisoren na Lernout & Hauspie

Op het L&H-proces staan ook de bedrijfsrevisoren in de schiettent. Ze pleiten onschuldig en wijzen erop dat ze geen agenten zijn die fraude opsporen. Wat doen ze dan wel? En hoe hebben de Big Four de financiële schandalen à la Enron in ons land verteerd? Hun job blijkt vandaag moeilijker, duurder en gevaarlijker.

Eric Pompen

Op 11 september 2001 stortten de WTC-torens van New York in. Sindsdien ziet de wereld er anders uit. Enkele maanden later legde Enron na een financieel schandaal zonder weerga de boeken neer. De grootste energiegroep uit de Verenigde Staten sleurde zijn bedrijfsrevisor Arthur Andersen (AA) – een internationaal advieskantoor met een geconsolideerde omzet van 8,4 miljard euro en 77.000 medewerkers – mee in de val. Eind augustus 2002 stopte Andersen Worldwide definitief met zijn activiteiten, ondanks een gerechtelijke vrijspraak (post factum) op 31 mei 2005.

Die aardschok veranderde het aanschijn van de auditsector definitief. De tsunami golfde door tot in België, waar net de bom bij Lernout & Hauspie (L&H) was losgebarsten. Ook bij ons dreigt de revisor, KPMG in dit geval, het slachtoffer te worden. Voor AA was het echter te laat. In 2002 nam Deloitte de Belgische daklozen over. Maar hoe hebben de vier overlevers van de Big Five – voor de gelegenheid vergeleken met de vijf gevaarlijkste safaridieren (ondertussen is de neushoorn met uitsterven bedreigd) – de clash van Enron en L&H verteerd? Wij vroegen het de respectieve voorzitters in België van de Big Four (uitgezonderd de topman van PwC zelf allemaal revisoren), die hun eigen totem kozen: leeuw, luipaard, olifant en buffel. Waarnemers uit de sector geven commentaar.

Strengere regels

Na de val van Enron kwam de overheid met een stortvloed van maatregelen op de proppen. Het algemene belang van de aandeelhouders moest gevrijwaard blijven. De VS zette de toon met de Sarbanes Oxley Act voor beursgenoteerde bedrijven. Naast de versterking van de interne controle in de bedrijven en de oprichting van externe controle op de revisoren verbood de wetgever de auditfirma’s nog bepaalde diensten, zoals personeelsbeheer of de implementatie van informatica, te verlenen bij ondernemingen waar ze commissaris zijn. Uitgezonderd Deloitte, dat AA overnam, verkochten alle kantoren hun consultancyafdelingen. In één klap verloren ze zowat de helft van hun business. In eigen land keurde het parlement de wet op het deugdelijke bestuur van 8 augustus 2002 goed: meer transparantie en regels om de onafhankelijkheid van de revisor te waarborgen.

“De regulatoren hebben het ons niet gemakkelijk gemaakt,” vindt Roger Heijens, voorzitter van PricewaterhouseCoopers (PwC) Belgium. “Maar uiteindelijk is de sector sterker uit het verhaal gekomen. Alleen is de wetgeving in de verschillende landen niet altijd even coherent, wat de situatie voor onze internationale klanten bemoeilijkt. Gelukkig zorgt de achtste auditrichtlijn voor enige harmonisering in de Europese Unie en beginnen de lidstaten hun afwijkingen aan te passen. Zo heeft Italië haar strikte scheiding tussen fiscaal advies en revisoraat versoepeld. Ook heeft ons land de afkoelperiode – waarbij een kantoor, dat revisor was geweest, twee jaar geen andere dienstverlening aan de betrokken klant mocht verlenen – afgeschaft.”

“Om de geloofwaardigheid van de financiële markten te herstellen, reageerde de overheid bijzonder streng,” bevestigt Theo Erauw, voorzitter van KPMG Belgium. “Niet de zogezegde belangenvermenging, maar de fraude van het management lag aan de basis van de schandalen. Bij de publieke opinie leefde echter de verkeerde perceptie dat de auditfirma’s zich aan belangenvermenging bezondigden. Om dit misverstand recht te trekken, aanvaardde het beroep de nieuwe regels.”

Hogere kostprijs

Na de invoering van Sarbanes Oxley verdubbelde de factuur voor beursgenoteerde bedrijven in de VS. Erauw: “De revi-soren van deze ondernemingen moeten namelijk een dubbele verklaring afleggen: zowel over de financiële staten als over de interne controle op het systeem van financiële rapportering.”

Op het vlak van de regelgeving is België zelfs strenger dan de anderen. In ons land mag de totale omzet van de non-audit-opdrachten zelfs niet meer bedragen dan de vergoeding voor de bedrijfsrevisor (1/1-regel). Hierdoor verhoogden de kosten met gemiddeld 20 % à 30 %. Gecombineerd met de uitbreiding van het takenpakket zelf – zoals de Sarbanes Oxley Act of de implementatie van International Financial Reporting Standards (IFRS) – vond wel een felle prijsstijging voor de revisoren plaats: gemiddeld met 30 tot 40 %.

Heijens: “Het werd allemaal complexer en duurder voor de klant én voor ons. De extra kostprijs voor de aanpassing van de infrastructuur, de overhead en de training van het personeel op de nieuwe regels, bedraagt 6 % van onze omzet.”

Daarnaast schoot de aansprakelijkheidsverzekering de hoogte in door het stijgende aantal rechtszaken tegen de revisoren. De Belgische regering heeft echter de aansprakelijkheid van de bedrijfsrevisor bij beursgenoteerde bedrijven beperkt tot 12 miljoen euro en 3 miljoen euro bij niet-beursgenoteerde bedrijven. Het belang van de revisor wordt intussen beter begrepen door de klanten en er is ook een toenemende deskundigheid.

Positief aan de strengere wetgeving is wel dat de revisoren meer taken hebben gekregen. Gust Herrewijn, managing partner van Ernst & Young (E&Y) Belgium: “Spijtig genoeg voelen we de laatste maanden dat bedrijven de audit steeds meer als een commodity gaan beschouwen. Ze beginnen op de prijzen te drukken met het argument dat Sarbanes Oxly ons extra opdrachten oplevert. Dat is geen gezonde evolutie.”

Mentaliteitsverandering

De nieuwe wetgeving leidde ook tot een overreactie. Erauw: “Om nu te vermijden dat de financiële markten in Amerika hun aantrekkelijkheid verliezen, heeft het publieke toezichtorgaan PCAOB een herziene standaard uitgewerkt waarin enige versoepelingen werden opgenomen. Deze standaard moet nog worden goedgekeurd door de SEC ( nvdr – de Securities and Exchange Commission, zeg maar de Amerikaanse beurswaakhond).”

Wel leidde Sarbanes-Oxley tot een algemene mentaliteitsverandering in de sector. Erauw: “Iedereen is nu bewust van het belang van de cruciale rol van een sterke controleomgeving. De werknemers zijn meer op hun hoede voor uitschuivers. De tolerantie voor een scheve schaats is tot nul herleid. Vandaag moet elke transactie omstandig gedocumenteerd en verantwoord worden. Maar al deze veiligheidsmaatregelen zullen fraude nooit volledig kunnen uitschakelen, zeker niet als het management betrokken partij is.”

“Nu is de situatie duidelijk en transparant,” meent Ludo De Keulenaer, CEO van Deloitte Belgium. “Vandaag staan enkele deontologische principes, die het beroep al tientallen jaren in de praktijk toepast, in een wet neergeschreven. Alleen de 1/1-regel zorgt nog voor enige problemen, vooral voor beursgenoteerde bedrijven. Bij Deloitte houdt een team van zes specialisten zich voltijds bezig met onderzoek of de firma al dan niet een opdracht mag of wil aannemen. Regelmatig vinden binnen de groep discussies plaats of we nu commissaris of adviseur van een klant willen worden. Ook de ondernemingen zelf worstelen met dit vraagstuk. Gelukkig zijn ondertussen uitzonderingen toegestaan als ze goedgekeurd worden door een auditcomité of er in de onderneming een college van revisoren benoemd is.”

Verschuiving van klanten

Aangezien bepaalde activiteiten – zoals de uitvoering van de boekhouding of het rekruteren van personeel – niet meer door hetzelfde kantoor als de revisor uitgevoerd mogen worden (zie kader: Verboden diensten), is een verschuiving van klanten opgetreden. Deze regel geldt ook voor de gelieerde bedrijven in het buitenland. Elk auditkantoor heeft dus een streng controlesysteem moeten uitwerken of het niet zondigt tegen de regels in elk betrokken land.

Herrewijn: “Sinds 2000 heeft de groep miljoenen euro geïnvesteerd in de uitwerking van een wereldwijd monitoringsysteem om te vermijden dat de nationale regels overschreden worden. We passen een zeer rigide aanvaardingspolitiek toe. Met elke klant wordt een overeenkomst getekend ( engagement letter), waarin de beperking van de risico’s staan. Bovendien moeten alle vennoten elk kwartaal hun transacties van aandelen en obligaties opgeven. Soms verlies je een halve dag aan heel de procedure. Het gevaar bestaat echter dat deze administratieve rompslomp te veel tijd en energie in beslag neemt, wat het kritische vermogen van de revisor belemmert. Tot nu toe is de slingerbeweging niet te ver gegaan, maar de emmer dreigt wel over te lopen. Gelukkig versoepelt de achtste Europese auditrichtlijn de wetgeving. Persoonlijk vind ik de 1/1-regel wel een stap te ver.”

Door het verbod van bepaalde diensten hebben de revisoren zich ook anders moeten positioneren op de markt. Erauw: “In bepaalde segmenten, zoals fiscaliteit, verloren we bij de invoering van de wet op het deugdelijke bestuur in 2002 een vijfde van ons clientèle. Ook door de verkoop van KPMG Consultants aan Unisys zakte onze omzet met 15 %. Ondertussen hebben we opnieuw een adviesafdeling opgestart – niet om IT-systemen te implementeren, maar om advies te verstrekken over onder meer financiële risico’s van ondernemingen. We zitten nu opnieuw met 831 medewerkers en een omzet van 102 miljoen euro ( nvdr – een groei van 2,5 % in vergelijking met vorig jaar) – waarvan 45 miljoen euro audit, 27 miljoen tax & legal, 25 miljoen advisory en 5 miljoen fiduciaire.

Chinese muren

Vroeger fungeerde de bedrijfsrevisor als portier voor bijkomende activiteiten van de auditfirma. De controleur van de jaarrekening kon gemakkelijk bepaalde diensten aanbevelen, die zijn collega’s konden uitvoeren. Door de strengere wetgeving is zo’n situatie onmogelijk.

“Maar er hebben altijd strikte scheidingslijnen tussen de revisoren en de andere adviseurs – de Chinese walls – bestaan,” repliceert Heijens. “Anders dreigden we het vertrouwen van de onderneming te verliezen. Zo heb ik in het verleden aan tafel collega’s van consulting, tax of audit altijd de discretie over hun eigen klanten weten handhaven. Deontologie is de essentie van ons bestaan. Vandaag zijn de regels trouwens nog strenger geworden en waagt zeker niemand het deze grenzen te overschrijden, want je kunt persoonlijk aansprakelijk worden gesteld.”

“Bovendien zijn we gebonden aan een beroepsgeheim,” stipt De Keulenaer aan. “Zo adviseren medewerkers van Deloitte in verschillende dossiers zowel de overnameprooi als de jagers. Maar zij houden zich aan een absoluut spreekverbod tijdens de onderhandelingen. Anders verliest de internationale auditfirma zijn geloofwaardigheid. Elk team identificeert zich met zijn klant en beschouwt de collega’s dan als concurrenten. Bij een volgend dossier worden de rollen omgedraaid voor de teams. Zo bouw je knowhow op. Cliënten geven de voorkeur aan adviseurs die de sector van binnen en van buiten kennen.”

Toch hebben de overheden in praktisch alle landen van de wereld een lijst van verboden diensten voor de bedrijfsrevisor opgesteld om belangenvermenging te vermijden. Erauw: “In tegenstelling tot de VS, waar Sarbanes Oxley naast de onafhankelijkheidsvereisten zwaar de nadruk legde op interne controlesystemen, heeft de Belgische wetgeving zich meer geconcentreerd op de onafhankelijkheid van de revisor. Zo heeft onze overheid de 1/1-regel ingevoerd. Jammer genoeg geldt deze verplichting voor alle ondernemingen, waar ook ter wereld. Je geraakt dus zeer snel in een belangenconflict als je als revisor voor een bedrijf optreedt dat in het buitenland veel dochters heeft. Dit vereist een complex controlesysteem binnen de internationale auditfirma’s zelf. Binnen KPMG in België houden twee medewerkers zich voltijds bezig met deze taak. Voordat onze fiduciaire een opdracht van een klant mag aanvaarden, moeten zijn gegevens door onze global monitor. Persoonlijk denk ik dat de vermelding in de jaarrekening van de werkzaamheden uitgevoerd door de commissaris en de daarvoor betaalde honoraria, en de werkzaamheden van netwerkfirma’s zouden moeten volstaan om belangenconflicten te vermijden.”

De bedrijfsrevisoren, fiscalisten en accountants mogen geen aandelen bezitten in de bedrijven die ze adviseren om belangenvermenging te vermijden. “Dat geldt ook voor je naaste familieleden,” stelt Erauw. Vertel je vrouw maar eens dat ze geen effecten mag kopen van een bedrijf, omdat een collega van KPMG in Chili voor een buitenlandse dochter ook een mandaat uitoefent.”

Verwachtingskloof

De introductie van internationale standaarden – zoals ISA en IFRS – en bijkomende opdrachten hebben de pil van de verloren consultancyactiviteiten enigszins verzacht. Ook het feit dat de samenleving meer eisen aan de revisor stelde, gaf het beroep meer aanzien.

Aangezien de samenleving steeds complexer wordt, nemen de juridische en economische vragen van zowel de CEO’s als de CFO’s toe. Eigen werknemers kunnen deze problemen niet meer allemaal zelf oplossen, maar doen een beroep op externe adviseurs. Hier spelen de auditfirma’s met hun multidisciplinaire aanpak een belangrijke rol. Treasury management (het actief beheren van toekomstige kasstromen), riskmanagement (het beheersen van mogelijke risico’s) en due dilligence (onderzoek van de boeken om eventuele lijken in de kast bij overnames te vermijden) zijn belangrijke groeipolen voor de Big Four.

Ook de vraag naar interne controle – forensic accounting – neemt toe. “Wij zijn echter geen fraudejagers, maar kunnen wel systemen installeren die diefstal en andere misbruiken opsporen,” relativeert Heijens deze trend. Erauw: “Het publiek verwacht nog altijd dat de revisor elke fraude in het bedrijf ontdekt. Maar wij moeten ons baseren op de informatie die we van de bedrijfsleiding krijgen. Als de top van een onderneming iets bewust achterhoudt of verdoezelt, is het voor de revisoren praktisch niet mogelijk deze misdrijven te ontdekken. Wij zijn geen politieagent, maar beoordelen de mogelijke risicofactoren. Zij bepalen op hun beurt de omvang van de steekproeven, die wij uitvoeren om te controleren of de jaarrekening een getrouw beeld van de economische werkelijkheid geeft. De eerste verantwoordelijkheid voor de balans ligt bij de raad van bestuur en het directiecomité. Dat vergeten de mensen nogal vlug. In de toekomst zullen dus nog altijd ongelukken gebeuren. Dat zal de strengere wetgeving niet kunnen verhinderen.”

Toch bleef de verwachtingskloof bestaan. “Maar ze is wel verkleind,” vindt De Keulenaer. “Tijdens de beurshausse eind jaren negentig dacht het grote publiek dat er nooit een eind zou komen aan de hoogconjunctuur. Het financiële schandaal rond Enron heeft echter iedereen wakker geschud. Ook beseffen de beleggers nu dat revisoren niet alles kunnen tegenhouden.” Anderzijds stelt de topman van Deloitte wel een stijging van het aantal rechtszaken tegen de auditfirma’s vast. De Keulenaer: “De beroepsrisico’s nemen toe. Daarom passen we een strenge aanvaardingspolitiek toe. Deloitte aanvaardt geen enkele klant zonder diepgaande screening vooraf. Natuurlijk moeten revi-soren die hun job niet ernstig uitoefenen gestraft worden. Maar moet je een chirurg die 30 jaar lang mensenlevens gered heeft en op een dag toch een foutje maakt waarbij een beroemde zangeres met een litteken blijft zitten, ter dood veroordelen? Dat is gebeurd met Arthur Andersen, ondanks gerechtelijke vrijspraak achteraf. In dit geval hebben de media een kwalijke rol gespeeld. Wij verkopen reputatie. Als die een deuk krijgt, kun je de boeken wel sluiten.”

Geen Big Three

Gevaar voor een oligopolie, waarbij slechts enkele spelers de markt controleren, vreest tenslotte niemand. De Keulenaer: “Het aantal mandaten in de Trends Top 10.000, dat de Big Four beheren, bedraagt net iets meer dan 40 %. Kleinere revisorenkantoren zijn nuttig en zullen altijd blijven bestaan, zeker voor lokale spelers of cliënten uit nichesectoren. Wel richten wij ons steeds meer naar de markt van kmo’s, die steeds internationaler worden.” Volgens André Kilesse, vicevoorzitter van de Europese beroepsfederatie en vennoot van BDO in België, blijft er altijd een markt voor middelgrote en kleine auditkantoren bestaan: “Vandaag dekken zij elk ongeveer een derde van de markt. De Big Four beschikken praktisch over een monopoliepositie in de multinationals en beursgenoteerde bedrijven, maar er blijft plaats genoeg voor de rest. Wel wordt het steeds moeilijker voor de sole practitioners – de eenmanszaken onder de revisoren – om het hoofd boven water te houden door de talrijke verplichtingen, die nu gelden. Zij zijn genoodzaakt samenwerkingsverbanden met collega’s uit binnen- en buitenland te sluiten.”

Een verdere concentratie van bestaande auditfirma’s ligt dus niet in het verschiet. Voor een Big Three zal de Europese Commissie wel een stokje steken om de concurrentie te vrijwaren. Bovendien zijn er nu al groepen die moeilijk nog een revisor vinden, omdat ze voor andere diensten ergens in de wereld al een beroep doen op de betrokken auditfirma. “Maar de nationale vennootschappen gaan wel nauwer samenwerken,” getuigt Erauw. “Zo voeren KPMG UK en KPMG Germany gesprekken om te fuseren. Met die integratie komen ze tegemoet aan de wensen van multinationals die wereldwijd actief zijn en grote mobiliteit van hun toeleveranciers eisen. Door één vennootschap over de grenzen heen te worden, kun je gemakkelijker een beroep doen op de specialisten binnen het netwerk.”

Ook E&Y Belgium gelooft niet dat de sector nog verder zal consolideren. Herrewijn: “In een kmo-land als België zal er altijd plaats zijn voor kleinere revisorenkantoren. De markt vraagt valabele alternatieven. Zo groeien de middelgrote auditfirma’s – zoals BDO en Grant Thornton – sterk, want de bedrijven krijgen steeds meer moeilijkheden om zich aan de 1/1-regel te kunnen houden.” Eric Pompen

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content