In ons recht bestaat er een regel die zegt dat iedereen met zijn volledige vermogen instaat voor de betaling van zijn schulden. Zeker bij mensen die zijn getrouwd met een vorm van gemeenschap van goederen, kan dat problemen veroorzaken. Zij krijgen daarom wel eens de raad om een vennootschap op te richten. In geval van een faillissement kan het privé-vermogen van de zaakvoerder of de vennoot in principe niet worden aangesproken door de schuldeisers van de vennootschap.
...

In ons recht bestaat er een regel die zegt dat iedereen met zijn volledige vermogen instaat voor de betaling van zijn schulden. Zeker bij mensen die zijn getrouwd met een vorm van gemeenschap van goederen, kan dat problemen veroorzaken. Zij krijgen daarom wel eens de raad om een vennootschap op te richten. In geval van een faillissement kan het privé-vermogen van de zaakvoerder of de vennoot in principe niet worden aangesproken door de schuldeisers van de vennootschap. Een vennootschap biedt echter geen waterdichte veiligheid. Denk maar aan de zaakvoerder die zich bij de bank persoonlijk borg stelt voor een lening die hij aangaat. Kan zijn vennootschap de lening niet terugbetalen, dan zal de bank het persoonlijke vermogen van de zaakvoerder kunnen aanspreken. En mensen met een vrij beroep kunnen hun beroepsaansprakelijkheid helemaal niet beperken via een vennootschap. Voor sommige handelaars is het dan weer te duur om een vennootschap op te richten. Met alle bijkomende administratieve kosten die een vennootschap meebrengt en de minimumbezoldiging voor zaakvoerders, moet de eenmanszaak toch al gauw een nettowinst van meer dan 25.000 euro maken. Anders wordt de fel begeerde beperking van de aansprakelijkheid wel zeer duur betaald. Er bestaat een alternatief. Met een oordeelkundig gebruik van het huwelijksrecht kunt u toch uw privé-vermogen in belangrijke mate afschermen. De echtgenote kan haar eigen goederen, en dus een deel van het gezinsvermogen, namelijk beschermen tegen de schuldeisers van haar echtgenoot die een zelfstandige activiteit uitoefent. Iemand die eigen goederen wil onttrekken aan de grijpgrage klauwen van de schuldeisers van de echtgenoot, moet kunnen aantonen dat het om haar eigen goederen gaat. Ze moet dus bewijzen dat ze deze goederen bezat vóór het huwelijk, dat ze voortkomen uit een erfenis of uit een schenking van een andere persoon dan de echtgenoot (bijvoorbeeld van de ouders), dat ze die heeft verworven door middel van fondsen die voortkomen uit de verkoop van zulke eigen goederen, of dat ze die heeft verkregen met inkomsten die eigen zijn volgens het gekozen huwelijksstelsel. Het bewijs leveren van fondsen die voortkomen uit de verkoop van eigen goederen, is niet altijd makkelijk. Nochtans kan dit euvel eenvoudig verholpen worden door de clausule ' aangekocht ter wederbelegging van eigen penningen' op te nemen. Daar moet de echtgenoot zich akkoord mee verklaren. Bij de aankoop van onroerende goederen kan deze clausule gewoon in de notariële akte worden opgenomen. Zoniet bestaat het risico dat de echtgenote van de gedupeerde later ten aanzien van diens schuldeisers niet meer het eigen karakter van dat goed zal kunnen aantonen. Deze bewijsregeling is zeker belangrijk voor personen die zijn getrouwd onder het wettelijk stelsel. Dat is trouwens het huwelijksstelsel dat geldt als de echtgenoten geen speciaal huwelijkscontract hebben afgesloten. Het wettelijk stelsel houdt in dat alle goederen die iemand bezat vóór het huwelijk, zijn eigendom blijven. Alle goederen die de echtgenoten tijdens het huwelijk verwerven, behoren in het wettelijk stelsel tot het gemeenschappelijk vermogen. Maar in zo'n stelsel zijn de schulden van na het huwelijk ook gemeenschappelijk. Wie getrouwd is onder zo'n gemeenschapsstelsel en niet meer kan bewijzen welke goederen eigen zijn en welke niet, kan nog altijd veranderen van huwelijksstelsel. Overstappen van een stelsel van gemeenschap van goederen (bijvoorbeeld het wettelijke stelsel) naar een stelsel van scheiding van goederen mag echter niet gebeuren in het nadeel van de schuldeisers van de echtgenoten. De wijziging van het stelsel moet dus vroeg genoeg gebeuren en zeker voordat de betalingsmoeilijkheden opduiken. Een zeer geschikt moment om te veranderen van stelsel, is het moment dat een van de echtgenoten een handelsactiviteit begint. De echtgenoten kunnen alleen in onderling akkoord hun huwelijksstelsel wijzigen. Het speelt geen rol of de echtgenoten nog maar pas of al jarenlang getrouwd zijn. Het aantal wijzigingen is ook niet beperkt. Opeenvolgende veranderingen zijn dus mogelijk. Overstappen van het ene naar het andere huwelijksstelsel brengt een aantal formaliteiten mee. In de eerste plaats is er een notariële akte nodig, de zogenaamde wijzigingsakte. Die akte moet voorafgegaan worden door een boedelbeschrijving van alle roerende en onroerende goederen en van de schulden van de echtgenoten. De wijzigingsakte moet ter homologatie voorgelegd worden aan de rechtbank van eerste aanleg. Aan zo'n wijziging hangt ook een prijskaartje. U bent hiervoor al vlug 2500 euro kwijt. Wie al die rompslomp tijdens het huwelijk wil vermijden, kan natuurlijk gewoon trouwen met een algehele scheiding van goederen. De schuldeisers van de echtgenoot kunnen geen aanspraak maken op de eigen goederen van zijn vrouw. De scheiding van goederen wordt meestal overeengekomen door echtgenoten van wie minstens één een beroep uitoefent dat een groot financieel risico inhoudt. Denk bijvoorbeeld aan een gehuwd koppel waarvan de man op zelfstandige basis een horecazaak uitbaat. De kans op een faillissement is statistisch groter dan bij een andere zelfstandige activiteit. In een stelsel van zuivere scheiding van goederen zijn er twee vermogens: dat van de man en dat van de vrouw. Er is geen gemeenschappelijk vermogen. Nochtans kunnen er onverdeeldheden voorkomen. Dat is het geval wanneer man en vrouw, gehuwd met scheiding van goederen, samen een onroerend goed kopen. Ze zijn dan ieder 'onverdeeld mede-eigenaar' van dat onroerende goed, bijvoorbeeld ieder voor 50 % als ze elk de helft van de prijs hebben betaald. Wat onroerende goederen betreft, wordt de eigendom bewezen door de authentieke akte van verwerving. Die akte kan opgemaakt zijn op naam van één echtgenoot. Die is dan exclusief eigenaar, ook al werd de prijs geheel of gedeeltelijk door de andere echtgenoot betaald. Wordt de akte opgemaakt op naam van beide echtgenoten en vermeldt ze niet voor welk aandeel elk van hen onverdeelde eigenaar wordt, dan bestaat het vermoeden dat ze ieder voor de helft eigenaar zijn. Ook roerende goederen die iemand in eigen naam koopt, zijn uitsluitend zijn eigendom, ongeacht de oorsprong van de gelden. Een factuur of een bestelbon opgemaakt op naam van een van de echtgenoten, bewijst niet noodzakelijk de exclusieve eigendom. Er kan alleen een vermoeden van eigendom uit afgeleid worden. Roerende goederen waarvan niet kan worden bewezen dat ze eigendom zijn van een van de echtgenoten, worden beschouwd als onverdeeld tussen de echtgenoten. De eigendom van goederen met een sterk persoonlijk karakter moet niet worden bewezen. Oorringen bijvoorbeeld worden aangenomen eigendom van de echtgenote te zijn. In een stelsel van scheiding van goederen zijn de schulden van de echtgenoten in principe allemaal eigen schulden. Dat betekent dat ze alleen verhaald kunnen worden op de bezittingen van de echtgenoot die de schulden heeft gemaakt. Er zijn echter uitzonderingen. Wanneer de echtgenoten gezamenlijk schulden hebben gemaakt, kan de schuldeiser aan beide echtgenoten vragen om de schuld te betalen. Iedere echtgenoot zal in dat geval slechts voor zijn deel (meestal de helft) moeten opdraaien. Er bestaan echter ook hoofdelijke schulden. Denk bijvoorbeeld aan echtgenoten (gehuwd met scheiding van goederen) die bij de bank samen en 'hoofdelijk' een lening afsluiten. De bank kan van elke echtgenoot afzonderlijk de betaling van de volledige lening eisen. U hebt nog andere pijlen op uw boog om schuldeisers de pas af te snijden. Echtgenoten zijn tegenover elkaar immers verplicht om bij te dragen in de lasten van het huwelijk. Dat is de zogenaamde bijdrageplicht. Als een van de echtgenoten de bijdrageplicht niet naleeft, kan de andere echtgenoot een onderhoudsuitkering of een ontvangstmachtiging vragen aan de vrederechter. De mogelijkheid bestaat om beide vorderingen te combineren. Als de rechter aan de echtgenote een onderhoudsgeld met ontvangstmachtiging toekent, krijgt zij het recht om geldsommen die eigenlijk toekomen aan haar echtgenoot, alleen te innen. Het gaat vooral om inkomsten uit arbeid of uit vermogen, en alle andere geldsommen die door derden zijn verschuldigd aan de echtgenoot. Hieronder vallen zowel periodieke uitkeringen als kapitalen en schuldvorderingen. Maar schuldeisers zien ook hun invorderingsrechten aangetast. Ze kunnen immers geen beslag meer leggen op de sommen die onder de gerechtelijke ontvangstmachtiging vallen. Wie de machtiging heeft gekregen, heeft dus ook voorrang op de schuldeisers van de echtgenoot, zelfs al zouden ze vroeger al beslag gelegd hebben op het loon. Voorbeeld. De man verdient 1500 euro en de vrouw krijgt een ontvangstmachtiging van 600 euro. Op een loon van 1500 euro kunnen de schuldeisers normaal beslag leggen tot op een wettelijk bepaald maximumbedrag (dat in het voorbeeld minder dan 500 euro bedraagt). Door de ontvangstmachtiging komt het beslagbare gedeelte van het loon echter volledig toe aan de vrouw. Voor de schuldeisers blijft er niets over. Bovendien zijn de wettelijke beperkingen op het loonbeslag niet van toepassing wanneer het gaat om een veroordeling tot het betalen van een onderhoudsgeld aan de echtgenote, of wanneer een deel van het loon wordt uitgekeerd op grond van de ontvangstmachtiging. Toch moeten de schuldeisers niet helemaal machteloos toekijken. Het is immers niet uitgesloten dat een gehuwde vrouw in overleg met haar echtgenoot om een ontvangstmachtiging verzoekt zodat een deel van de inkomsten van haar man wordt onttrokken aan het beslag van de schuldeisers. Als zo'n bedrieglijke verstandhouding bewezen wordt, is de echtgenoot strafbaar vanwege het organiseren van zijn onvermogen. Als de rechter aan de echtgenote een onderhoudsgeld met ontvangstmachtiging toekent, krijgt zij het recht om geldsommen die eigenlijk toekomen aan haar echtgenoot, alleen te innen. Een factuur of een bestelbon opgemaakt op naam van een van de echtgenoten, bewijst niet noodzakelijk de exclusieve eigendom.