In Nederland is er tegenwoordig nogal wat te doen over de zogenaamde zzp'ers: de 'zelfstandigen zonder personeel'. Grosso modo gaat het om wat wij in België de pseudo- of schijnzelfstandigen noemen: personen die van zichzelf zeggen zelfstandigen te zijn, maar waarvan het niet helemaal duidelijk is, of het wel echt om 'zelfstandigen' gaat. Zij balanceren op de grens tussen het zelfstandigen- en het werknemerstatuut.
...

In Nederland is er tegenwoordig nogal wat te doen over de zogenaamde zzp'ers: de 'zelfstandigen zonder personeel'. Grosso modo gaat het om wat wij in België de pseudo- of schijnzelfstandigen noemen: personen die van zichzelf zeggen zelfstandigen te zijn, maar waarvan het niet helemaal duidelijk is, of het wel echt om 'zelfstandigen' gaat. Zij balanceren op de grens tussen het zelfstandigen- en het werknemerstatuut. Een tussenweg is er niet. Je bent ofwel zelfstandige, ofwel werknemer. Het is alles of niets. Het probleem is, dat aan elk van beide statuten uiteenlopende sociale en fiscale consequenties verbonden zijn. Wie werknemer is, geniet in vergelijking met zelfstandigen veel meer sociale bescherming. Hij heeft recht op werkloosheidsvergoedingen. Zijn pensioenrechten zijn veel beter. En hij geniet ook op arbeidsrechtelijk vlak belangrijke voordelen. Het ontslag van een werknemer kost een werkgever veel geld, zeker als hij zich niet aan de regeltjes houdt. Bij een zelfstandige is de sociale bescherming veel minder. Geen werkloosheidsvergoedingen en ook veel minder pensioen. Om maar enkele voorbeelden te noemen. En als een zelfstandige niet kan presteren, of bedankt wordt voor bewezen diensten, is er meestal niets wettelijk geregeld. Alles hangt dan grotendeels af van wat partijen wel of niet onder elkaar op voorhand afgesproken hebben. Tegenover die mindere bescherming op sociaal gebied, staat dan weer dat zelfstandigen veel minder sociale bijdragen betalen. Zeker als men het volledige plaatje bekijkt. Bij werknemers loopt de prijs van de sociale bijdragen op tot plus minus 50 procent van het loon, als men zowel met de werkgevers- als met de werknemersbijdragen rekening houdt. Die bijdragen worden berekend op het volledige loon. Bij zelfstandigen is het percentage van de socialezekerheidsbijdragen veel lager. Bovendien is de grondslag waarop de bijdragen berekend worden, bij hen wel geplafonneerd. Boven een bepaalde grens zijn helemaal geen bijdragen meer verschuldigd. Verschillen zijn er ook op het gebied van de fiscaliteit. Al zijn die minder uitgesproken. Zolang men de sfeer van de personenbelasting blijft, zijn de tarieven voor de beide categorieën gelijk. Het wordt pas echt anders, zodra men een professionele vennootschap opricht en men bijgevolg onder toepassing valt van de vennootschapsbelasting. Daar zijn de tarieven wel beduidend lager dan in de personenbelasting. Al die verschillen hebben in de voorbije decennia de tendens aangewakkerd, om - waar mogelijk - te vluchten uit het werknemersstatuut, en zich als zelfstandige te vestigen, al dan niet in de vorm van een professionele vennootschap. Actie roept reactie op. De tendens om het zelfstandigenstatuut op te zoeken roept al decennialang, vooral vanwege de sociale overheden, de neiging op om zich daartegen te verzetten. En, om zogenaamde schijnzelfstandigen tot de orde te roepen. Dit wil zeggen: ze terug naar de veilige stal van de werknemers te voeren. Die reactie is niet onbegrijpelijk: hoe meer werknemers het hazenpad kiezen, hoe leger de kas van de RSZ. Dat heeft enkele jaren geleden geleid tot een ingrijpen van de wetgever waarbij wettelijke criteria zijn vastgelegd om uit te maken of men al dan niet met een werknemer, dan wel met een zelfstandige te maken heeft. In Nederland kent men een vergelijkbaar fenomeen. Ook daar is in de loop der tijden de tendens ontstaan, om - waar mogelijk - te ontsnappen aan het rigide systeem dat op werknemers van toepassing is; en om zich als zelfstandige te vestigen. Over hoeveel volk het gaat, is niet duidelijk. Afhankelijk van de bron spreekt men over een paar tot vele honderdduizenden. De oorzaken voor de vlucht uit het werknemersstatuut zijn enigszins vergelijkbaar. Ook hier is onder meer sprake van een discrepantie in fiscale behandeling. Belangrijk is, dat men in Nederland inmiddels door heeft, dat er maatschappelijk blijkbaar behoefte is aan een tussencategorie die aan een vraag naar grotere flexibiliteit op de arbeidsmarkt beantwoordt: een groep van personen die voor eigen rekening en risico werkt, geen personeel of zakelijke partners heeft en vooral zijn eigen arbeid verkoopt. In Nederland heeft men het over personen die werken volgens het principe 'uurtje factuurtje'. In België worden ze wel eens oneerbiedig als 'urenboeren' bestempeld. In België houdt men tot nader order vast aan het rigide onderscheid tussen werknemers en zelfstandigen. In Nederland groeit het besef dat men oog moet hebben voor de voormelde tussengroep. Bij onze noorderburen zijn er inmiddels tal van organisaties die zich met het behartigen van de belangen van deze tussengroep inlaten. Allicht is het tijd dat het debat over schijnzelfstandigen ook in België op dezelfde manier opengetrokken wordt. DE AUTEUR IS ADVOCAAT EN HOOFDREDACTEUR VAN FISCOLOOG.Jan Van DyckHet is tijd om het debat over schijnzelfstandigen open te trekken.