Tien kleine negertjes
...

Tien kleine negertjesOm simpele verklaringen te vinden voor complexe fenomenen, bezondigen we ons dikwijls aan sociaal-antropomorfistisch denken. In dat geval modelleren we complexe interactiesystemen (zoals bijvoorbeeld wereldmarkten) naar het beeld en de gelijkenis van voor ons bevattelijke, maar veel beperkter sociale structuren. Het "samenzweringsdenken" is daarvan een typisch voorbeeld. We zien dikwijls dat sociale organisaties zoals bedrijven, service-clubs of scoutsverenigingen grondig verknoeid worden door het gekonkel van enkele bestuursleden. Omdat dit patroon ons bekend en vertrouwd is, zijn we geneigd het over te planten op maatschappelijk niveau : de euvels in de samenleving worden dan toegeschreven aan de drijverijen van de joden, de kapitalisten, Opus Dei of de vrijmetselarij. CONTRAPRODUCTIEF.Het sociaal-antropomorfistisch denken situeert zich niet alleen op het niveau van verklaringen, maar ook (en dit is gevaarlijker) op het vlak van sociale remedies. Sommige politieke ideologieën leggen een sterke analogie tussen gezin en samenleving en gaan ervan uit dat remedies die werkzaam zijn voor het functioneren van een gezin ook gunstig zijn voor de samenleving. Het politieke gebruik van de "broederlijkheid" en van de vaderfiguur getuigt hiervan. Men spiegelt de burgers voor dat zij allen broeders en zusters zijn, zodat zij dezelfde solidariteit en loyauteit verschuldigd zijn aan de staat als aan hun gezin en hun ouders. Deze overplanting van familiaal-solidaire gevoelens werkt tot op zekere hoogte voor verenigingen, die zich dikwijls gedragen als "artificiële families". Zij werkt echter contraproductief voor grotere gehelen zoals de Vlaamse, Europese of mondiale samenleving.Een ander voorbeeld van sociaal antropomorfisme is het analyseren van sociale interactie als een "zero-som-spel". In dit speltype wordt de winst van de winnaars volledig verhaald op de verliezers, zodat het collectieve resultaat steeds nul blijft. Nogal wat situaties uit onze onmiddellijke omgeving beantwoorden hieraan : de meeste spelen in de sport, de competitie tussen echtgenoot en minnaar, premiestelsels in bedrijven. Vlamingen vatten zulke situaties kernachtig samen : "De één zijn dood is de ander zijn brood."WAANZINNIG.Het zero-som-spelbeeld bepaalt sinds enkele jaren ook meer en meer onze visie op de marktcompetitie, die dan opgevat wordt als een tragedie van de "tien kleine negertjes" : de marktdeelnemers pikken ongenadig elkanders marktaandelen en kapitaal weg, zodat uiteindelijk alleen the fittest zal overblijven. De marktstrategieën zijn derhalve zeer gelijklopend : sparen op kosten door flexibiliteit en lagere lonen, verhoging van de productiviteit door betere scholing en recyclage van de arbeidskracht. Aangezien de laaggeschoolden in deze productiviteitsrace niet meer meetellen, wordt voor hen gemikt op allerlei vormen van publieke tewerkstelling. Dit darwinistisch competitiemodel is waanzinnig en brengt de vrijemarkteconomie meer schade toe dan alle marxistische onzin bij elkaar.Beter dan het woord "competitie" drukt het woord "concurrentie" uit waar het om gaat in een vrijemarkteconomie : letterlijk het "blijven samen lopen" van verschillende marktdeelnemers. In essentie betekent de vrije concurrentie twee dingen : 1) niemand heeft het recht een nieuwkomer de toegang tot de markt te ontzeggen ; 2) de verlieslatende bedrijven moeten eruit en mogen niet in leven gehouden worden door beschermende maatregelen. In tegenstelling tot het darwinistische "alleen de beste blijft," betekent vrije concurrentie : "iedereen mag meedoen, maar de slechtsten (verlieslatenden) vliegen eruit."KNOCK-OUT.Het darwinistisch competitiemodel past goed bij de positie van de Oeso-landen in het economisch mondialiseringsproces. De stijgende verkoop van producten uit de nieuw-geïndustrialiseerde landen (NGL's) pikt weliswaar marktaandeel van Oeso-bedrijven in maar zou normaliter, door de stijging van de koopkracht van de consumenten, moeten leiden tot een stijging van de vraag die dan ook ten goede zou moeten komen aan de tewerkstelling in de Oeso-landen. Doordat deze koopkrachtstijging meestal wordt wegbelast of opgepot om te anticiperen op de crisis in de sociale zekerheid, krijgt de concurrentie van de NGL's een zero-som-karakter. Scherper nog is het gesteld met de competitie om het kapitaal. Door de geldhonger van de zwaar deficitaire Oeso-regeringen is het potentiële kapitaal, dat naar de privé-sector kan doorvloeien, reeds zeer beperkt. De strijd tussen Oeso-bedrijven en NGL-bedrijven voor het schaarse nog resterende kapitaal wordt dan ook ervaren als een darwinistische knock-outmatch, waarin de Oeso-landen onvermijdelijk het onderspit delven. Het voortdurend opdrijven van de productiviteit zal gepaard gaan met een steeds grotere uitstoot van arbeidskrachten of een verslechtering van hun sociaal statuut. De sociale onrust die hieruit voortvloeit, wordt afgekocht met een opgedreven publieke tewerkstelling ; de gevolgen hiervan zijn meer belastingen, een blijvend publiek deficit en een blijvend tekort aan risicodragend kapitaal.TOEKOMST.Dit kan slechts vermeden worden door uit deze darwinistische match te stappen en over te schakelen naar een hernieuwde groei-economie. Reële groei is slechts mogelijk door een forse herneming van marktgeleide investeringen in de privé-sector.Paul Fabra, Frans economist en journalist van Le Monde, schat dat een extra investeringsinspanning van 5 tot 8 % van het BNP ons dichtbij de volledige tewerkstelling zal brengen. Hiervoor zijn geen toekomstcontracten nodig ; wel toekomstgerichte maatregelen zoals een begroting in evenwicht (geen 3 % maar 0 %), het spreiden van de schuldafbetaling over langere termijnen met lagere intresten, een drastische defiscalisering van het risicokapitaal, het omzetten van de niet-looncomponent van de arbeidskosten in looncomponenten zodat zowel de vraag naar consumptiegoederen als het aanbod van risico-kapitaal herneemt. Dit alles is misschien voer voor een Vlaamse regering Verhofstadt-Voorhamme, een regering "zonder flauwekul". BOUDEWIJN BOUCKAERTProf. dr. B. Bouckaert is voorzitter van de vakgroep Grondslagen van het Recht, faculteit Rechtsgeleerdheid, Universiteit Gent.