Begin 2011 bereikt de eerste generatie babyboomers die tussen 1946 en 1964 geboren werd de leeftijd van 65 jaar. Gespreid over de volgende twintig jaar gaat de talrijkste, meest succesvolle en rijkste generatie aller tijden geleidelijk met pensioen. Hoe past het volkje dat berucht werd voor seks, drugs en rock 'n roll zich aan de pensionering aan?
...

Begin 2011 bereikt de eerste generatie babyboomers die tussen 1946 en 1964 geboren werd de leeftijd van 65 jaar. Gespreid over de volgende twintig jaar gaat de talrijkste, meest succesvolle en rijkste generatie aller tijden geleidelijk met pensioen. Hoe past het volkje dat berucht werd voor seks, drugs en rock 'n roll zich aan de pensionering aan? Nadat de soldaten naar huis waren teruggekeerd aan het einde van de Tweede Wereldoorlog haalden ze de verloren tijd snel in. Alleen al in de VS werden in twee decennia 80 miljoen baby's geboren. Andere rijke landen kenden ook een boom. Omdat het over zo'n grote aantallen ging, ontwikkelden de boomers een eigen momentum. Ze profiteerden grondig van het naoorlogse economische herstel en de toenemende welvaart. Ze vochten voor burgerrechten, maar ze hielden evengoed van plezier. Hun succes bezorgde hen zelfvertrouwen, assertiviteit zelfs. De wereld behoorde hun toe. Heel wat boomers genoten een goede opleiding en kregen een goed betaalde job, die niet zelden gepaard ging met een gul pensioenplan. Ze kochten huizen en zagen die enorm in waarde toenemen. In de meeste rijke landen vertegenwoordigt hun generatie het overgrote deel van al het privévermogen. Critici beweren dat de boomers te veel voordelen hebben ingepikt en dat hun kinderen en kleinkinderen daarvoor de tol betalen. De jonge mensen kunnen zich niet langer veroorloven om de huizen te kopen die velen van de babyboomgeneratie moeiteloos rijk hebben gemaakt en ze moeten opdraaien voor de royale gegarandeerde vergoedingen van de pensioenen van hun ouders en grootouders. Het lijkt misschien al te grof om de boomers ervan te beschuldigen dat ze hun kinderen moedwillig beroven, maar de problemen zijn reëel. Een van die problemen is de omvang van de groep. Naarmate de geboortecijfers daalden, werden de volgende generaties almaar kleiner. Gedeeltelijk daardoor stijgt de ouderdomsafhankelijkheidsratio - het aantal gepensioneerden ten opzichte van de actieve bevolking - nu snel. De VN voorspellen dat tussen nu en 2050 die ratio in de rijke wereld opklimt van 24 tot 45 procent. In plaats van vier werknemers voor elke gepensioneerde, zijn er nog maar twee. Een andere moeilijkheid zou eigenlijk een bron van dank en vreugde moeten zijn: de mensen leven langer. In 1935, toen de VS voor het eerst een staatspensioen invoerde, lag de pen-sioenleeftijd op 65 jaar en bedroeg de gemiddelde levensverwachting 62 jaar. Intussen is de officiële pensioenleeftijd in de VS gestegen naar 66, maar gaan de mensen gemiddeld op hun 64ste met pensioen en mogen ze verwachten nog zestien jaar te blijven leven. In veel Europese landen gaan de werknemers nog vroeger met pensioen en kunnen ze nog een kwarteeuw van hun pensioen genieten. De toenemende levensverwachting werd vroeger gezien als een eenmalige bonus ten gevolge van een betere volksgezondheid en medische verzorging, maar de levensduur wordt een of twee jaar per decennium langer en die extra jaren worden meestal doorgebracht in vrij goede gezondheid. De voor de hand liggende oplossing bestaat erin de pensioenleeftijd op te trekken en dat is precies wat heel wat regeringen al gedaan hebben. Dat heeft al heel wat protest uitgelokt. Nochtans lag de pensioenleeftijd net na de Tweede Wereldoorlog hoger dan nu, pas later daalde hij geleidelijk naar een dieptepunt rond 1990, om daarna weer toe te nemen. De stijging is waarschijnlijk onvoldoende om het officiële pensioen op lange termijn betaalbaar te houden. Maar gaan de boomers die de 65 naderen wel echt met pensioen? Sommigen wel, anderen zijn het al. Maar zij die een bevoorrecht leven geleid hebben, voelen dat het nu wat moeilijker gaat. Het staatspensioen wordt teruggeschroefd en de voorzieningen die ze privé aanlegden (sparen was nooit hun sterkste kant) hebben ook al een deuk gekregen van de financiële crisis en de teloorgang van het vastgoed. Velen vinden dat ze het zich niet kunnen veroorloven om nu al met pensioen te gaan. Anderen vermaken zich zo erg dat ze best nog een tijdje willen doorgaan.z De auteur is redacteur special reports van The Economist.BARBARA BECK