België raakte begin de jaren dertig in de greep van de internationale ekonomische krisis. Veel westerse landen zochten hun heil in protektionisme wat België als export-geörienteerde natie nagenoeg machteloos maakte en in de devaluatie (de dollar zakte met liefst 41 %) waardoor de waarde van de Belgische uitvoer tussen 1929 en 1933 met meer dan de helft daalde. De binnenlandse werkloosheid met 40 % swingde de pan uit, het gemiddelde rendement van de Belgische naamloze vennootschappen daalde van 20 % tot een rekordlaagte van 1,6 % in 1932. ...

België raakte begin de jaren dertig in de greep van de internationale ekonomische krisis. Veel westerse landen zochten hun heil in protektionisme wat België als export-geörienteerde natie nagenoeg machteloos maakte en in de devaluatie (de dollar zakte met liefst 41 %) waardoor de waarde van de Belgische uitvoer tussen 1929 en 1933 met meer dan de helft daalde. De binnenlandse werkloosheid met 40 % swingde de pan uit, het gemiddelde rendement van de Belgische naamloze vennootschappen daalde van 20 % tot een rekordlaagte van 1,6 % in 1932. Bezorgd om de precaire positie van de Belgische frank, greep de overheid naar een deflatiepolitiek, waardoor men hoopte dat het binnenlands prijzenpeil zich aan de dalende wereldprijzen zou aanpassen en de konkurrentiekracht van de Belgische bedrijven behouden zou blijven. Zonder resultaat. Tegen deze uitzichtloze regeringspolitiek lanceerde de Belgische Werkliedenpartij haar "Plan van de Arbeid". Het Plan voorzag vooreerst in een "nationalizatie" van het kredietwezen en van de grootindustrie. Die nationalizatie bleek bij nader toezien meer met de overdracht van gezag dan van bezit te maken te hebben. Er werd een "Nationaal Instituut der Banken" opgericht, dat door het bezit van zogenaamde "kontrolestukken" die door grote banken werden uitgegeven maar die geen recht gaven op dividenden richting kon geven aan de kredietpolitiek van deze banken. De eigenlijke bankaktiviteiten zouden dus in handen van de bestuursorganen van de banken zelf gelaten worden. Verder voorzag het Plan in een konjunktuurpolitiek geheel nieuw voor zijn tijd waarbij men door een uitbreiding van de binnenlandse markt de welvaart wilde doen toenemen. Aansluitend had De Man een politiek van de arbeid (gericht op een verkorting van de arbeidsduur en een normalizering van de lonen), een kredietpolitiek (om de ekonomische bedrijvigheid van de sleuteltakken te bevorderen) en een Dienst voor Ekonomisch Sukses in petto. Op politiek vlak opteerde De Man voor een meer doeltreffende kontrole op het parlement. ONVERHOOPTE UITLOPERS.Heel wat voorstellen van het Plan werden door de regering-Van Zeeland overgenomen (zoals de konjunktuurpolitiek). Verregaande hervormingen zoals de "nationalizatie" van de banksektor werden geweerd. Belangrijkste antikrisismaatregel van de regering-Van Zeeland was echter op 31 maart '35 de devaluatie van de frank met 28 %. Aan de eisen van de arbeiders kon nu tegemoetgekomen worden : betaald verlof, beperking van de werkduur, ziekte- en invaliditeitsverzekering. De nieuwe reeks sociale wetten kregen hun bekroning met de eerste Nationale Arbeidskonferentie (17 juli 1936) dat het overleg met de grote sociale partners institutionalizeerde. Al bij al onverhoopte uitlopers van het Plan.