Volgens het officiële cijfer van deze week groeit de Chinese economie nog altijd tegen 6,9 % op jaarbasis. Dat is het laagste groeicijfer sinds 2009. Maar uit betrouwbare indicatoren, die niet gemakkelijk te manipuleren zijn door de Chinese autoriteiten, blijkt dat het officiële cijfer een ruime overschatting is van de werkelijke groei in China, die veeleer op 2 à 4 % wordt ingeschat.

De onaangename verrassing van de serieuze Chinese groeivertraging heeft lelijk huisgehouden op de Europese aandelenmarkten. Er heerst dan ook een vrij grote consensus dat een harde landing van de Chinese economie vandaag de grootste bedreiging vormt voor de wereldeconomie. En niet bijvoorbeeld de eerste renteverhoging door de Federal Reserve, zoals een aantal maanden geleden nog het geval was. China wordt in de meeste onderzoeken van economen en strategen drie tot vier keer belangrijker ingeschat.

We mogen er echter van uitgaan dat de Chinese leiders nog bijkomende maatregelen zullen treffen om de groei weer aan te zwengelen. Uit puur eigenbelang. Weinig groei betekent sociale en etnische onlusten. Die zijn een bedreiging voor de politieke alleenheerschappij van de Chinese communistische partij.

Risicopremie

Maar laten we er even van uitgaan dat die maatregelen minder dan verhoopt uithalen en dat de Chinese economie in 2016 op het huidige, lage groeiritme blijft. Wat is dan de impact op de wereldeconomie in het algemeen en op een aantal grote economieën in het bijzonder? Daarover verschijnen dezer dagen uitvoerige studies van grote instellingen. De conclusies zijn niet altijd gelijklopend, maar toch zijn er een aantal constanten. Een harde landing van de Chinese economie treft in de eerste plaats de andere economieën uit de opkomende markten. De impact wordt geschat op 1,25 à 2 % groei voor de opkomende markten, waarbij uiteraard Brazilië en Rusland een stuk meer worden getroffen dan India. De impact op de westerse economieën zou 0,4 tot 0,7 % groei kosten.

We mogen niet vergeten dat de invloed op de Japanse en Duitse economie wel meer dan 1 % zou bedragen, tegenover maar 0,2 à 0,3 % op de Amerikaanse economie. Het effect op de wereldeconomie zou een inlevering van 0,8 à 1,25 % groei van het bruto binnenlands product tot gevolg hebben. Een aantal studies leggen ook de vinger op een andere wonde. Mocht de groei in China schraal blijven, dan beschikken de centrale banken over veel minder instrumenten dan voorheen om in te grijpen. De rente staat bijna overal op of dicht bij het nulpunt, en er worden vraagtekens geplaatst bij de effectiviteit van nog meer monetaire versoepeling.

Vandaar dat de conclusie terecht is dat de onzekerheid rond de Chinese groei tot een hogere risicopremie leidt op de financiële markten. Het voedt ook de verwachting van een aanhoudende deflatoire druk en zodoende een nog langere periode van zeer lage rente, en ook het aanhouden van de valutaoorlog, met de angst voor een verdere daling van de Chinese yuan (CNY) tegenover de Amerikaanse dollar volgend jaar.

DE ONZEKERHEID ROND CHINA LEIDT TOT EEN HOGERE RISICOPREMIE.