De Belg heeft geleerd dat loonmatiging goed is. Als de exporteurs van zijn land marktaandelen verliezen, moet hij de broekriem aanhalen. Voor het herstel van de concurrentiekracht is echter meer nodig, veel meer. Loonmatiging vermijden, bijvoorbeeld.
...

De Belg heeft geleerd dat loonmatiging goed is. Als de exporteurs van zijn land marktaandelen verliezen, moet hij de broekriem aanhalen. Voor het herstel van de concurrentiekracht is echter meer nodig, veel meer. Loonmatiging vermijden, bijvoorbeeld. Een gezond economisch principe zegt dat ondernemingen hun werknemers betalen voor wat ze waard zijn. De overheid mag zich alleen in noodgevallen met dat proces bemoeien. Zo zal bij een plotse verdubbeling van de petroleumprijzen de overheid de loonstijgingen blokkeren om erger te voorkomen.Matiging van de lonen mag echter geen jaren duren. Met allerlei trucs en ontwijkingen zal de economie de achterstand inhalen, zodat de ingreep zijn doel mist. Om problemen voorgoed op te lossen, is loonmatiging niet scherp genoeg als werktuig.Ons verlies aan marktaandelen is zo'n probleem. Tussen '90 en '95 is de Belgische goederenuitvoer in volume met jaarlijks gemiddeld 3 % gestegen. Dat is minder dan de groei van de buitenlandse afzetmarkt, die in dezelfde periode met 5 % per jaar is toegenomen. Een populaire verklaring voor dat verlies is de snellere stijging van onze lonen tegenover het gemiddelde van onze voornaamste concurrenten. Als remedie grijpt premier Jean-Luc Dehaene naar een loonmatiging die eigenlijk niets meer doet dan de loonhandicap bestendigen (zie kader : Beter dan niets ?). Dat moet beter. Bovendien moet het ondraaglijk grote verschil tussen het nettoloon en de totale loonkosten voor de werkgever (de loonwig) inkrimpen. Maar het terugschroeven van de belasting op arbeid heeft niks meer te maken met overheidsingrijpen op de evolutie van de lonen, wel op de bestanddelen ervan. Anders gezegd : loonmatiging kan hier niet helpen, wel een hervorming van sociale zekerheid. TABOE.Hoe belangrijk ook, de concurrentiekracht van een land is meer dan een kwestie van lonen en loonwig. De evolutie van de Belgische loonkosten per eenheid product zijn daarom leerzaam. In nationale munt uitgedrukt, zijn deze loonkosten in de voorbije tien jaar trager gestegen dan bij onze handelspartners (zie grafiek). In gemeenschappelijke munt uitgedrukt (dus wisselkoersveranderingen meegerekend), blijken diezelfde loonkosten echter sneller gestegen te zijn. Het echte probleem is ten eerste de Belgische frank die steeds duurder werd en ten tweede een loonkostenbeleid dat haaks staat op het wisselkoersbeleid. Omdat de indicator loonkosten per eenheid product voor een deel vertekend wordt door kunstmatige productiviteitsstijgingen (zie kader : Kunstmatig goedkoop, maar goedkoop), bekijken we ook de loonkosten per werknemer. In nationale munt zijn die sedert eind de jaren '80 ongeveer even snel gestegen als bij onze handelspartners, in gemeenschappelijke munt zijn ze meer dan 10 % sneller gestegen (zie grafiek). Opnieuw speelde de dure frank ons parten. De weldaden van een goedkopere munt hebben bijvoorbeeld Italië en Spanje mogen ondervinden. Hun munten verloren tussen '92 en '94 elk ongeveer 25 % aan waarde tegenover de frank. Tussen '93 en '95 won Italië voor liefst 14 % aan marktaandeel op de wereldmarkt, waar het in de jaren voordien chronische verliezen had geleden. In dezelfde periode maakte het Spaanse marktaandeel een sprong van 30 %.Een herziening van het sterke-frankbeleid is in België een taboe. Nochtans zou een depreciatie van de frank een veel directer effect op de concurrentiepositie hebben dan eender welke loonmatiging. Een verandering van de wisselkoers weegt immers voor het volle pond door in de verkoopprijs. Loonkosten zijn slechts een onderdeel van die verkoopprijs. Dus, als de regering onze loonkostenhandicap tegenover de vijf en de zeven voornaamste concurrenten die te danken is aan de harde frank (zie kader : Beter dan niets ?) wil aanpakken met loonmatiging, dan vraagt ze van de Belg veel burgerzin. Een idee van de burgerinspanning vinden we in een studie van '93 van professor Lucia Goubert van de Universiteit Gent. Zij berekende dat het aandeel van de loonkosten in de omzet van onze voornaamste exportsectoren gemiddeld 20 % bedraagt. Een eenvoudig rekensommetje leert dat in dat geval een looninlevering van 5 % nodig is om een wisselkoersappreciatie van 1 % goed te maken. Een appreciatie van 2 % vergt al meteen een inlevering van 10 %, enzovoort. De grondstoffen en materialen die de ondernemingen in het buitenland kopen, worden wel goedkoper door de appreciatie. Maar, zo merkt Goubert fijntjes op, gouverneur Fons Verplaetse van de Nationale Bank heeft zelf gezegd dat ondernemingen dat voordeel tot nog toe zelden in prijsvermindering hebben omgezet. LAAGWAARDIG.Los van het probleem van de sterke frank, leert hetzelfde rekensommetje dat de exportsectoren 5 % loon moeten inleveren om hun prijs met 1 % te drukken. Dat is opnieuw een inspanning met een wel erg laag rendement, àls die looninlevering al maatschappelijk en economisch haalbaar was, want de binnenlandse bestedingen zijn al zwak genoeg. Stel dat we toch slagen in een prijsdaling van 1 %. De vraag is dan of de concurrentie op de wereldmarkt gevoerd wordt met prijsverschillen van één of enkele procenten.Voor de markt waarin België zich specialiseert, is het antwoord jammer genoeg : ja. Onze goederenexport bestaat voor 61 % uit halffabrikaten, die door hun beperkte productdifferentiatie erg prijsgevoelig zijn, en dus het kwetsbaarst voor concurrentie. Vergelijk dat met de Duitse goederenuitvoer, waarin de veel minder prijsgevoelige investeringsgoederen een aandeel van 65 % hebben. Door die gesofisticeerdere specialisatie kon de Duitse verwerkende nijverheid zich even dure lonen als de Belgische veroorloven en tegelijk haar tewerkstelling nagenoeg instandhouden. Tussen '79 en '92 daalde het aantal jobs in de Duitse verwerkende industrie met amper 1,6 % tegenover een daling van liefst 19,7 % in dezelfde bedrijfstak in België. Loonmatiging is blijkbaar het laatste waar de Duitsers zich moeten om bekommeren om hun producten verkocht te krijgen, al lijken de jongste tijd de zaken zelfs voor de Duitsers ietwat moeilijker te liggen.Onze liefde voor laagwaardige, voor internationale concurrentie gevoelige producten steekt schril af tegen ons comparatief voordeel van een goed opgeleide beroepsbevolking, kwaliteitsonderwijs en technologische deskundigheid. We moeten meer investeren in onderzoek en innovatie. Door een nieuwsoortige corrosiebestendige deklaag, Bezinal, kon Bekaert de verkoopprijs van zijn staaldraad die voorheen uit een roestvrije, dure legering bestond met meer dan de helft verminderen. Daarvoor zou al een ontzaglijke loonmatiging nodig zijn. Bijna 38 % van de Belgische goederenexport bestaat uit producten waarnaar de vraag op de wereldmarkt zwak groeit (zoals meubels, textiel...), tegen 20,7 % voor Duitsland en 17 % voor de VS (zie staafdiagrammen). Slechts 21,6 % van onze uitvoer zijn producten waarnaar een sterke vraag bestaat (informatica, elektronica...), tegen bijna 30 % voor Duitsland, 34,4 % voor Nederland en 36,5 % voor de VS.Investeren in onderzoek, hoogwaardige producten ontwikkelen : het vraagt risico en durf. Dat geldt ook voor het zoeken van nieuwe, maar verre exportbestemmingen. België moet meer de meest dynamische buitenlandse markten opzoeken, zoals Zuidoost-Azië. De verre export blijft veel te bescheiden, al is er een handelssurplus met deze landen (zie Omslagverhaal). Tenslotte, snel inspelen op nieuwe behoeften en veranderde marktomstandigheden, is al even belangrijk.HARNAS.Marktaandelen terugwinnen of beveilingen met een algemene, vlakke loonmatiging alleen, is dus moeilijk. Sterker nog, is die loonmatiging zelf wel zo gezond voor de concurrentiekracht ? Het verergert de verstarring van onze arbeidsmarkt die juist geflexibiliseerd moet worden, wil onze economie de internationale concurrentieslag winnen. Duurzame concurrentievoorsprong behaal je door innovaties. Dan moet de arbeidsmarkt soepel genoeg functioneren om schaars talent daar in te zetten waar het opbrengt. Dat kan alleen met de gepaste verloning. Veralgemeende loonmatiging houdt dat proces juist tegen.Een economie is een rijkelijk geschakeerd geheel die in een nationaal opgelegd harnas van loonmatiging aan bewegingsruimte verliest. Bedrijven waar het goed gaat, willen hun mensen daarvoor belonen. Een Nederlandse studie van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA) bij 1400 ondernemingen wees uit dat de bedrijven die de hoogste lonen betalen, grotere winsten maken én meer banen scheppen. Hun productiviteit ligt hoger en zij steken immers meer tijd en geld in innovatie. Dat geeft hen een zekere monopoliemacht die hen toelaat hogere verkoopprijzen aan te rekenen. De hogere lonen zijn nodig om werknemers met de verworven kennis aan zich te binden. Loonmatiging zet routineuze of ingeslapen bedrijven uit de wind. Vaak gaat het om ondernemingen die, zonder de artificiële bescherming van een loonmatiging, ten dode opgeschreven zouden zijn. Zo wordt de creatieve destructie, zoals de Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter het noemde, gefnuikt. Schumpeter bedoelde de natuurlijke verversing van de economie waarbij de vernietiging van achterop gebleven bedrijven gecompenseerd wordt door de creatie van nieuwe. Voorstanders van loonmatiging zeggen dan weer dat zo'n maatregel de winsten verhoogt, waardoor middelen vrijkomen voor investeringen in innovatie, en dus voor de opbouw van een concurrentievoordeel. Dat stimuleert de uitvoer en zet een positieve spiraal in gang. Tegenstanders antwoorden daarop dat loonmatiging leidt tot gemakzucht bij de ondernemers. Omdat hun winsten beveiligd worden, bekommeren ze zich niet meer om vernieuwing en voorsprong.Wie van beide heeft gelijk ? Het antwoord komt uit onverdachte hoek. In maart '94, toen weer eens bleek dat de Belgische concurrentiepositie verslechterd was, zei de toenmalige voorzitter van het VBO (Verbond van Belgische Ondernemingen), Georges Jacobs, in een interview : "Of een onderneming succesvol is of niet, hangt voor een groot stuk af van de visie van de ondernemer. Niet van premier Dehaene of vakbondsleider François Janssens. Goede en innovatieve producten zijn voor de concurrentiepositie van een onderneming belangrijker dan de loonkosten." JOZEF VANGELDER