Dat minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht (Open Vld) met Belgische investeerders China een kunstwerk aanbiedt, verdient applaus: dit is economische diplomatie ten top. Dat De Gucht denkt met een twee uur durend discours over mensenrechten in Peking enige indruk te hebben gemaakt, getuigt van zelfoverschatting. De Gucht zou beter wachten tot hij EU-commissaris is en namens Europa gewicht in de schaal kan leggen. De 'Diplomatieke Dagen' in Brussel, van 1 tot 6 juni, zijn dé gelegenheid om te bezinnen over wat België wel en niet kan.
...

Dat minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht (Open Vld) met Belgische investeerders China een kunstwerk aanbiedt, verdient applaus: dit is economische diplomatie ten top. Dat De Gucht denkt met een twee uur durend discours over mensenrechten in Peking enige indruk te hebben gemaakt, getuigt van zelfoverschatting. De Gucht zou beter wachten tot hij EU-commissaris is en namens Europa gewicht in de schaal kan leggen. De 'Diplomatieke Dagen' in Brussel, van 1 tot 6 juni, zijn dé gelegenheid om te bezinnen over wat België wel en niet kan. Laat De Gucht focussen op zijn economische diplomatie, want in diplomatie de grandeur is hij meestal een brokkenmaker. Marc Eyskens (CD&V) verkondigde ooit dat België in internationale fora zich beter discreet opstelt in de coulissen. Als compromissenmaker kunnen we daar het verschil maken. Alleen voor Centraal-Afrika ligt dat anders. Of beter, lag dat anders: daar golden we als experts. Maar na de fratsen van Louis Michel (MR) - om nog te zwijgen van André Flahaut (PS) en Armand De Decker (MR) - en de misplaatste arrogantie van De Gucht in Kinshasa, zit ook onze Afrikadiplomatie in een doodlopend straatje. Afrika was altijd ons venster op de wereld. We konden er op het terrein een directe impact hebben, maar verblind door zelfoverschatting en arrogantie beging onze diplomatie er de ene flater na de andere. Sinds 1960 heeft België in Centraal-Afrika niets opbouwends gedaan. Kom niet aandragen met onze goede intenties, vredesoperaties en ontwikkelingshulp. Het resultaat is één grote puinhoop. Zolang we dit niet onder ogen zien, gaat het van kwaad naar erger. Nu China, India en Brazilië aan invloed winnen, kunnen we best wat meer realiteitszin aan de dag leggen. Door met deze nieuwe grootmachten in Afrika partnerships te sluiten. Japan heeft dat perfect begrepen. Deze week ontvangt The Tokyo International Conference on African Development 45 Afrikaanse landen. Premier Yasuo Fukuda zal een verdubbeling aankondigen van het samenwerkingsbudget, tot 1,1 miljard euro. Japan wil zijn economische diplomatie in Afrika activeren. Japanse bedrijven beseffen dat ze niet kunnen concurreren met het goedkopere aanbod uit China, India, Zuid-Afrika en Brazilië, maar mikken op levering van complementaire hightech in infrastructuur- en industriële projecten van de nieuwe rivalen in Afrika. En Europa? Dat kijkt ernaar, meer bepaald België met zijn ooit geroemde Afrika-expertise. Dat Azië en Latijns-Amerika voor onze bedrijven prioritaire aandachtspunten zijn, is goed. Maar moeten we daarom een continent afschrijven dat in onze achtertuin ligt? Waar we de opkomende machten hun gang laten gaan voor grondstoffen en edele metalen waar onze industrie ook grote behoefte aan heeft en zal hebben? Japan neemt de nodige voorzorgen, want beseft dat zijn industrie zonder edele metalen niet de precisiemotoren, mobiletelefonieapplicaties en andere elektronica kan produceren waarin zijn bedrijven willen excelleren. (T)Door Erik Bruyland