Wie zijn intrek neemt in een rusthuis betaalt de rekening in eerste instantie zelf. Maar niet alle rusthuisbewoners zijn in staat uit eigen middelen hun verblijfsfactuur volledig te dragen. Als ze geen spaargeld hebben, volstaat hun pensioen vaak niet om er alle kosten - waaronder ook persoonlijke kosten, medische uitgaven en allerhande supplementen, zoals de kosten van de kapper en de reiniging van kleding - mee te dekken. Anderen zullen dan moeten bijdragen in de maandelijkse facturen.
...

Wie zijn intrek neemt in een rusthuis betaalt de rekening in eerste instantie zelf. Maar niet alle rusthuisbewoners zijn in staat uit eigen middelen hun verblijfsfactuur volledig te dragen. Als ze geen spaargeld hebben, volstaat hun pensioen vaak niet om er alle kosten - waaronder ook persoonlijke kosten, medische uitgaven en allerhande supplementen, zoals de kosten van de kapper en de reiniging van kleding - mee te dekken. Anderen zullen dan moeten bijdragen in de maandelijkse facturen. Een bewoner hoeft aan het rusthuis geen verantwoording af te leggen over hoe hij zijn verblijf zal betalen. Hij hoeft ook geen informatie te geven over de omvang van zijn pensioen, het spaargeld waarover hij beschikt of de eigendommen die hij heeft. Volstaan zijn bestaans-middelen niet om de verpleegkosten te betalen, dan kan een bewoner zich wenden tot het OCMW van de gemeente waar hij was ingeschreven voordat hij zijn intrek in het rusthuis heeft genomen. Het OCMW past dan een deel van de factuur bij. Het kan wel grenzen stellen aan zijn bijdrage en die bijvoorbeeld beperken tot een maximale dagprijs. De aanvrager is verplicht aan het OCMW inzage in zijn financiële toestand te verlenen. Het controleert in welke mate de eigen middelen van de bejaarde niet volstaan om de rusthuisfactuur te betalen. Het kijkt daarbij niet alleen naar de periodieke inkomsten - zoals het pensioen, de intresten van spaarrekeningen of het huurinkomen uit onroerende goederen - maar ook naar spaartegoeden - zoals kasbons, obligaties en beleggingsfondsen. Het OCMW kan zelfs een hypothecaire inschrijving op het onroerend goed van de bejaarde nemen, maar het kan hem er niet toe verplichten dat goed te verkopen of te verhuren. Het OCMW mag niet eisen dat de aanvrager al zijn inkomsten afstaat. Hij mag een beperkt bedrag - iets meer dan 1000 euro per jaar - als zakgeld behouden. Veel OCMW's verhalen de uitkeringen op de onderhoudsplichtigen van de rusthuisbewoner. In eerste instantie is dat de huwelijkspartner; lukt dat niet, dan doet het OCMW een beroep op de kinderen en de schoonkinderen. Het is zelfs mogelijk - al hoeft dat niet - dat de instelling zich richt tot de kleinkinderen. De broers en de zussen van de rusthuisbewoner kunnen niet worden aangesproken. Op die regel bestaan uitzonderingen. Sommige OCMW's - zoals die van Gent, Oostende en Herentals - vorderen geen geld meer terug bij de kinderen, de schoonkinderen of de kleinkinderen. Het gemeentebestuur moet voor die ontheffing wel zijn toestemming hebben gegeven. Die maatregel geldt voor iedereen die een beroep doet op het OCMW van die gemeente. Heel wat lokale partijafdelingen die opkomen voor de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen ijveren voor de opheffing van de onderhoudsplicht in hun stad of gemeente. Het OCMW kan ook beslissen geen geld terug te vorderen om zogenoemde billijkheidsredenen. Dat is bijvoorbeeld het geval als er al jarenlang geen contact meer is tussen de ouders en een of meer kinderen, of als de onderhoudsplichtige zware financiële verplichtingen of gezondheidsproblemen heeft. Het OCMW kan ook afzien van de terugvordering als de kosten ervan niet opwegen tegen het verwachte resultaat. De OCMW's hanteren een terugvorderingsschaal om de bedragen te bepalen die ze maximaal terugeisen van onderhoudsplichtigen. De berekening gaat uit van het netto belastbare inkomen van de onderhoudsplichtige en het aantal kinderen dat hij ten laste heeft (zie tabel). Een voorbeeld: een rusthuisbewoner heeft een dochter en twee zonen. De dochter heeft een netto belastbaar inkomen van 27.000 euro per jaar en één kind ten laste. Haar maximumbijdrage bedraagt daardoor 38 euro per maand. De ene zoon heeft een netto belastbaar inkomen van 43.000 euro en twee kinderen. Zijn maximumbijdrage beloopt 302 euro per maand. De andere zoon heeft twee kinderen en een netto belastbaar inkomen van 25.000 euro, en is daardoor vrijgesteld van de onderhoudsplicht. De kinderen kunnen de bedragen die ze betalen wel voor 80 procent fiscaal aftrekken als een onderhoudsuitkering. In individuele gevallen kunnen de OCMW's afwijken van die schaal. Ze moeten die afwijking dan wel motiveren. Sommige rusthuizen vragen dat een familielid - bijvoorbeeld een van de kinderen - zich borg stelt voor de facturen. De familieleden zijn niet verplicht zo'n borgstelling te ondertekenen en het is raadzaam dat niet te doen. Wie zich borg stelt, riskeert dat hij alle bedragen die de rusthuisbewoner niet kan betalen op zich moet nemen. Als een of meer familieleden geen borgstelling willen ondertekenen, zou het rusthuis de bejaarde als bewoner kunnen weigeren. De familieleden zouden als oplossing kunnen polsen of het OCMW bereid is die borgstelling te geven. JAN ROODHOOFT