Het goud is de afgelopen jaren geleidelijk aan terug gaan blinken. Ook al is dat nog niet tot iedereen doorgedrongen, er werd het afgelopen jaar alvast meer over gesproken. Veel waarnemers wijten de stijging hoofdzakelijk of uitsluitend aan de val van de Amerikaanse dollar. Maar in tegenstelling tot wat sommigen verkondigen, is de dalende Amerikaanse munt lang niet het enige argument om de stijging van de goudprijs te rechtvaardigen. Veel belangrijker is de evolutie van de verschillende componenten van vraag en aanbod, waar we aan de hand van de recentste cijfers van onderzoeksbureau Gold Fields Mineral Services dieper op ingaan.
...

Het goud is de afgelopen jaren geleidelijk aan terug gaan blinken. Ook al is dat nog niet tot iedereen doorgedrongen, er werd het afgelopen jaar alvast meer over gesproken. Veel waarnemers wijten de stijging hoofdzakelijk of uitsluitend aan de val van de Amerikaanse dollar. Maar in tegenstelling tot wat sommigen verkondigen, is de dalende Amerikaanse munt lang niet het enige argument om de stijging van de goudprijs te rechtvaardigen. Veel belangrijker is de evolutie van de verschillende componenten van vraag en aanbod, waar we aan de hand van de recentste cijfers van onderzoeksbureau Gold Fields Mineral Services dieper op ingaan. Aan de vraagzijde valt op dat de goudconsumptie van de juwelenindustrie tijdens de eerste negen maanden van 2004 ondanks de gestegen prijzen met 7,7 % is toegenomen. In dollartermen bedroeg de toename van de vraag zelfs 21,9 %. De investeringsvraag van de particulieren nam over dezelfde periode in volumetermen met 15,6 % toe. Het is een opvallende vaststelling dat de consument zich vrij snel heeft aangepast aan de hogere prijzen. Een deel van de verklaring ligt in het feit dat de vraag vooral sterk was in Azië en het Midden-Oosten, allebei regio's die het economisch bijzonder goed doen. In India, 's werelds grootste goudmarkt, lag de vraag naar goud tijdens het derde kwartaal van 2004 zelfs 16 % hoger. De fysieke vraag is dus een belangrijke ondersteunende factor voor de goudprijs. Over institutionele investeringen is zo goed als geen betrouwbaar cijfermateriaal voorhanden. Feit is wel dat goud als 'verzekeringscomponent' binnen een gespreide portefeuille aan belang wint. Sommige grote pensioenfondsen overwegen om een deel van de activa in goud te investeren, terwijl ook het aantal gespecialiseerde grondstoffenfondsen het afgelopen jaar sterk toenam. De industriële vraag naar goud steeg tijdens de eerste drie kwartalen van 2004 met 4,7 % in absolute termen. Deze component bedraagt nauwelijks 11,5 % van de gecombineerde juwelen- en investeringsconsumptie van de particulieren. Een andere vraagstimulerende factor is de terugkoop door de goudproducenten van uitstaande hedgeposities. Bedrijven als Placer Dome, AngloGold en Barrick Gold die hetzij bewust, hetzij door overnames, opgescheept zitten met verplichtingen om goud te leveren tegen een lagere prijs dan de marktprijs, willen daar zo snel mogelijk van af. Hoe meer de goudprijs stijgt, hoe hoger het verlies op deze hedgecontracten. De meeste producenten lijken ervan overtuigd dat de goudprijs nog verder zal stijgen en willen daar optimaal van profiteren. Verwacht wordt dat de invloed van dit 'dehedging'-fenomeen de komende jaren wel zal afnemen. De goudproductie van de mijnbedrijven is met 83 % de belangrijkste component aan de aanbodzijde. Tijdens de eerste negen maanden van 2004 daalde de output met ruim 5 % en alles wijst erop dat deze trend zich ook in de toekomst zal voortzetten. Dit komt doordat de producenten tijdens het voorbije decennium heel weinig in extra capaciteit hebben geïnvesteerd. Niet onlogisch trouwens, gezien de lage prijzen. Een stijgende goudprijs kan daar verandering in brengen, al is dit lang niet zeker. De afgelopen jaren zijn de munten van 'grondstoffenlanden' als Australië, Zuid-Afrika en Canada namelijk fors in waarde toegenomen ten opzichte van de USD. Dit maakt dat de goudprijs in lokale munt in veel mindere mate is gestegen dan in USD, zodat het voor deze bedrijven nog steeds niet rendabel is om in nieuwe uitbreidingsprojecten te investeren. Dit aspect, samen met het feit dat er gemiddeld zo'n vijf à zeven jaar ligt tussen de start van een project en de eigenlijke productie, maakt dat er alvast dit decennium weinig of geen gevaar is voor overcapaciteit op de goudmarkt. Iets minder dan een kwart van het goudaanbod is afkomstig van goud dat al eerder werd ontgind en nu opnieuw op de markt wordt gebracht, het zogenaamde scrap. Het aanbod vanuit deze hoek daalde tijdens de eerste drie trimesters van 2004 met 11,9 %. De hogere goudprijs zet de bezitters ervan dus niet aan om hun goud te koop aan te bieden. Centrale banken bezitten om historische redenen grote hoeveelheden goud. Vroeger was de waarde van de munt namelijk gedekt door fysiek goud. Toen die inwisselbaarheid werd afgeschaft, stelden velen zich vragen omtrent het nut van die goudvoorraad. Het extra aanbod van de centrale banken duwde de prijs nog meer de dieperik in. In 1999 sloten vijftien Europese centrale banken een overeenkomst om hun goudverkopen de komende vijf jaar te beperken tot maximum 400 ton per jaar. In 2004 werd dit akkoord voor nog eens dezelfde periode verlengd, maar werd de limiet opgetrokken tot 500 ton. Verschillende waarnemers denken echter dat er de komende vijf jaar veel minder dan 2500 ton zal worden verkocht. Tegenwoordig worden enkel Frankrijk, Duitsland en Italië tot de grootste kandidaat-verkopers gerekend, men verwacht dat zij zullen verkopen om het gat in hun begroting te dichten. Er zijn echter ook kopers, bijvoorbeeld Argentinië, dat na het peso-debacle van 2001 zijn lesje wel lijkt te hebben geleerd. Ook de Aziatische centrale banken zullen naar alle waarschijnlijkheid aan de koperszijde staan. Alles wijst erop dat het met de netto-verkopen van de centrale banken de komende jaren nog wel zal meevallen. Tussen januari en september van 2004 daalde het goudaanbod van de centrale banken alvast met 34,6 %. Er bestaat uiteraard ook nogal wat scepticisme tegenover beleggen in goud. Een van de belangrijkste argumenten is dat het gele metaal geen interest opbrengt en bijgevolg vanuit historisch perspectief een belabberde belegging is. De cijfers spreken dat argument echter tegen. Na het opblazen van het Bretton Woods-akkoord (zie ook kader : 'Ligt de toekomst in het verleden ?') steeg de goudprijs in de jaren zeventig van 35 USD tot boven de 800 USD in 1980, goed voor een gemiddelde jaarlijkse return van bijna 40 % ! De twee daaropvolgende decennia waren inderdaad niet bepaald goed met een jaarlijkse return van û4,4 %. Over de volledige periode van 1971 tot nu komen we toch nog uit op een gemiddelde jaarreturn van 7,5 % tegenover een return van 8,3 % op Amerikaanse overheidsobligaties. Zo slecht was een belegging in goud historisch gezien dus ook weer niet. Sommige bronnen laten ook graag uitschijnen dat goud niet meer is dan een gewone grondstof. Ook dit wordt door de geschiedenis tegengesproken. Goud heeft wel degelijk een monetaire functie en het debat over een officiële herintrede in het monetaire systeem wordt steeds breder. De goudprijs wordt uitgedrukt in USD, een munt waarvan de koopkracht de voorbije decennia alleen maar is afgenomen. Goud kan in tegenstelling tot papieren geld niet eindeloos worden bijgedrukt, waardoor het als een 'barometer' van monetaire inflatie kan worden gebruikt. De evolutie van de goudprijs is dan ook sterk gecorreleerd met die van de USD. Het grootste 'risico' voor goud ligt bijgevolg in een sterke remonte van de USD. Hoewel niets een forse dollarstijging rechtvaardigt, zijn er altijd tijdelijke correcties mogelijk. Een ander gevaar kan komen van het terugdraaien van al te hoge speculatieve hausseposities, al zal ook dit maar een tijdelijk fenomeen zijn.n KOEN LAUWERSDe meeste producenten lijken ervan overtuigd dat de goudprijs nog verder zal stijgen en willen daar optimaal van profiteren. In India, 's werelds grootste goudmarkt, lag de vraag naar goud tijdens het derde kwartaal van 2004 zelfs 16 % hoger. In 1999 sloten vijftien Europese centrale banken een overeenkomst om hun goudverkopen de komende vijf jaar te beperken tot maximum 400 ton per jaar.