Sinds de jaren negentig zijn er drie soorten internationale banken ontstaan. Zakenbanken zoals Goldman Sachs handelen in effecten en bedienen de rijken vanuit financiële hubs. Enkele banken, zoals het Spaanse Santander, gingen de lokale toer op en bouwden in verschillende landen een activiteit in retailbanking uit. Maar de populairste formule bleek die van de 'globale netwerkbank', een manusje-van-alles dat in tientallen landen leningen verstrekt en geld versast voor multinationals. Op sommige plaatsen treedt ze op als 'universele' bank, die zich met van alles bezighoudt, van obligatiehandel tot autoleningen.
...

Sinds de jaren negentig zijn er drie soorten internationale banken ontstaan. Zakenbanken zoals Goldman Sachs handelen in effecten en bedienen de rijken vanuit financiële hubs. Enkele banken, zoals het Spaanse Santander, gingen de lokale toer op en bouwden in verschillende landen een activiteit in retailbanking uit. Maar de populairste formule bleek die van de 'globale netwerkbank', een manusje-van-alles dat in tientallen landen leningen verstrekt en geld versast voor multinationals. Op sommige plaatsen treedt ze op als 'universele' bank, die zich met van alles bezighoudt, van obligatiehandel tot autoleningen. Het model van de globale bank overleefde de financiële crisis van 2008-2009, maar heeft nauwelijks overschot. Citigroup moest worden gered, maar de bank zit nog altijd in moeilijkheden. Bij JPMorgan Chase neemt de druk toe om de bank op te splitsen. HSBC heeft zijn eerdere financiële doelstellingen afgezworen. Deutsche Bank moet verder inkrimpen. En Standard Chartered nam afscheid van zijn zakenmodel en zijn baas Peter Sands. Dat de globale banken ook niet tot de beurslievelingen behoren, heeft alles te maken met hun zwakke recente resultaten. De top vijf (JPMorgan Chase, HSBC, Standard Chartered, Citigroup en Deutsche Bank) haalde vorig jaar amper 6 procent return op eigen vermogen. Enkel JPMorgan Chase bracht het er tamelijk goed vanaf (zie grafiek Niet goed genoeg). Investeerders maken zich zorgen dat de zwakke rendabiliteitscijfers wijzen op een dieperliggend strategisch probleem. De vrees neemt toe dat de kosten van de wereldwijde activiteiten de mogelijke voordelen overstijgen. Twintig jaar geleden zag de toestand er veel rooskleuriger uit. Banken gingen ervan uit dat de globalisering zou leiden tot een explosie van handel en kapitaalstromen. Een handvol firma's trachtte die groei in te palmen. De meeste hadden wel een of ander globaal netwerk geërfd. Europese kapitaalverschaffers als BNP Paribas en Deutsche Bank waren toen al meer dan een eeuw actief in het buitenland. HSBC en Standard Chartered waren bankiers voor het Britse imperium. Citigroup begon een eeuw geleden aan een grote internationale expansie. Chase, nu een onderdeel van JPMorgan Chase, opende heel wat buitenlandse vestigingen in de jaren zestig en zeventig. Naarmate al die bedrijven uitbreiding namen in de jaren negentig en 2000, gingen ze zich concentreren op multinationals, die behoefte hadden aan diensten als handelsfinanciering, deviezenhandel en cashmanagement. Maar de expansie ging veel verder dan dat. Deutsche Bank en StanChart pompten hun zakenbanken op. BNP bouwde retailactiviteiten uit in de Verenigde Staten. Citi en HSBC trachtten, door allerlei acquisities, overal in de wereld alles te doen voor iedereen. Er zijn drie redenen waarom de klad nu in dat model zit. Ten eerste bleken die reusachtige bankinstellingen moeilijk te managen. Hun dochterondernemingen hadden moeite om gemeenschappelijke IT-systemen op te zetten, laat staan een gemeenschappelijke cultuur. Synergie bleef uit en de kosten-inkomstenratio van de globale banken kwam zelden onder die van de lokale banken. Ten tweede bleek de concurrentie scherper dan verwacht. De bankenbubbel in het begin van de jaren 2000 bracht tweederangsspelers als Barclays, Société Générale, ABN Amro en Royal Bank of Scotland (RBS) ertoe wereldwijd uit te breiden. In Azië verloren de wereldreuzen ook marktaandeel aan de zogenoemde 'superregionale' banken, zoals het Australische ANZ en DBS in Singapore. Grote lokale banken in opkomende markten, zoals ICBC in China, Itaú in Brazilië en ICICI in India, begonnen ook grensoverschrijdende activiteiten op te zetten. Ten derde was de reactie van de regelgevers op de financiële crisis meedogenloos. Amerikaanse toezichthouders voerden strikte regels en strenge sancties in op het witwassen van geld en het ontwijken van belastingen. BNP Paribas en HSBC kregen zware boetes opgelegd omdat ze de regels niet volgden. De toezichthouders hebben intussen ook strengere kapitaalnormen aan de globale banken opgelegd. De meeste vallen onder het internationale Bazel III-regime, maar moeten ook voldoen aan lokale en regionale regelingen. Als vuistregel kan gesteld worden dat de grote globale banken een kapitaalbuffer ('core tier one capital') van 12-13 procent van hun risico-gewogen activa zullen moeten aanhouden, tegenover ongeveer 10 procent voor lokale banken. Nationale toezichthouders dringen er almaar meer op aan dat de globale banken hun lokale activiteiten zouden afschermen, zodat ze niet zomaar kapitaal doorheen de groep en over heel de wereld kunnen verschuiven. De kostprijs om de systemen te installeren die de toezichthouders tevredenstellen, is enorm. Een maatstaf voor de levensvatbaarheid van de globale banken is hun 'best case'-return op eigen vermogen. Die gaat ervan uit dat de vele boetes en herstructureringskosten van de voorbije jaren eenmalig waren, en dat de nieuwe kapitaalnormen volledig geïmplementeerd worden. Op die basis halen de meeste globale banken nauwelijks 10 procent rendement (zie grafiek Niet goed genoeg). Een andere manier om de levensvatbaarheid te testen, bestaat erin de voordelen van globale activiteiten te vergelijken met de kosten. In februari zei JPMorgan Chase dat de meerinkomsten en de kostenbesparingen die het uit zijn omvang puurt de winst met 6-7 miljard dollar per jaar opdrijven. Er mag redelijkerwijs worden aangenomen dat de extra kapitaaleisen en de regulatoire kosten verbonden aan de complexiteit van de instelling een grote hap uit die winst nemen. Schaalgrootte leidt blijkbaar ook niet tot goedkopere funding. Het is alleszins niet goedkoper om een CDS (credit default swap) te kopen op de schulden van JPMorgan of Citi dan op de schulden van een middelgrote Amerikaanse bank. Beleggers in schuldpapier beschouwen die immers allemaal als effecten waarvoor de overheid garant staat. Er zijn schijnbaar geen overtuigende financiële argumenten om te beweren dat globale banken beter presteren dan lokale. Dus is het hopen dat de concurrentie afneemt, waardoor de globale banken hun prijzen zouden kunnen optrekken. Dat kan als tweederangsbanken zich terugtrekken. Maar nieuwe concurrenten uit andere regio's dienen zich aan. Japanse banken zijn voor het eerst sinds de jaren tachtig bezig aan een grensoverschrijdend leningsoffensief. En de Chinese banken breiden gestaag uit. De kans dat dit de marges onderuithaalt, is groot.THE ECONOMISTDe reusachtige bankinstellingen bleken moeilijk te managen, de concurrentie bleek scherper dan verwacht, en er werden strikte regels ingevoerd.