Armoede is een ernstig probleem. Het is echter niet hetzelfde als inkomensongelijkheid. Te veel gelijkheid ontmoedigt initiatief en werklust, en verarmt daardoor de hele bevolking, maar het maakt de inkomens wel meer gelijk. Een beleid dat gericht is op maximale gelijkheid verlaagt de rijkdom van de hele economie en daardoor de draagkracht van een sociaal systeem.
...

Armoede is een ernstig probleem. Het is echter niet hetzelfde als inkomensongelijkheid. Te veel gelijkheid ontmoedigt initiatief en werklust, en verarmt daardoor de hele bevolking, maar het maakt de inkomens wel meer gelijk. Een beleid dat gericht is op maximale gelijkheid verlaagt de rijkdom van de hele economie en daardoor de draagkracht van een sociaal systeem.Armoede is niet hetzelfde als inkomensongelijkheid. De afgelopen week werden beide begrippen weer lustig door elkaar gehaald. De Gini-coëfficiënt, die de inkomensgelijkheid meet, was volgens berekeningen uit 2007 gestegen. Dat werd vertaald naar een boodschap dat de armoede in België alweer stijgt. Die fameuze Gini-coëfficiënt was in België in de jaren negentig bijzonder laag en dat is hij nog altijd. Het betekent dat de inkomensherverdeling in ons land nog altijd bij de meest verregaande is van de hele OESO (zie grafiek). Vlaanderen én Wallonië hebben een bijzonder lage Gini-coëfficient; dat de Belgische hoger is, komt door Brussel. Maar de coëfficiënt is de afgelopen jaren vooral verhoogd door de ongelijke evolutie van de tewerkstelling. Er zijn nu meer dan 1,5 miljoen uitkeringsgerechtigden in ons land, België heeft een erg lage activiteitsgraad. Dat betekent dat je heel diep moet herverdelen omdat er veel vervangingsinkomens zijn. Onze lage Gini-coëfficiënt; zou dus wellicht stijgen als we meer mensen aan het werk krijgen. Het tegengestelde is ook waar. Als we de uitkeringen verhogen, wordt niet werken aantrekkelijker. Daardoor worden vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt mensen ontmoedigd en kiezen ze finaal voor een vervangingsinkomen. Dat verbetert de Gini-coëfficiënt, maar ondergraaft de draagkracht en de welvaart van onze economie. Het toont het perverse aan van de Gini-coëfficiënt. Daarom blijft het me verbazen hoeveel credibiliteit de Gini-coëfficiënt krijgt als beleidsinstrument. Hij wordt foutief gepercipieerd als de zaligmakende maatstaf voor de kloof tussen arm en rijk. Waar het eigenlijk op neerkomt, is een goed evenwicht tussen het motiveren van mensen om te werken en de herverdeling van de inkomens. Als de herverdeling te ver gaat, ontmoedig je initiatief. Een te grote kloof creëert sociale spanningen. De internationale vergelijking wijst eerder op een te grote nadruk op herverdeling in ons land. Het argument dat werkloosheidsuitkeringen niet koopkrachtvast zijn geweest, wordt ook volledig ontkracht door de cijfers. Waar de Gini-coëfficiënt niets over zegt, is de factor geluk. Studies wijzen uit dat mensen die werken gelukkiger zijn. Inactiviteit aantrekkelijk maken, is dus geen goed idee. We moeten ook realistisch zijn: het geld is op. We moeten Griekse toestanden te allen prijze voorkomen. Om het sociale systeem in stand te houden, moet de activiteitsgraad fors omhoog. Maar dat doet de Gini-coëfficiënt wellicht toenemen. DE AUTEUR IS CEO EN CHIEF ECONOMIST VAN ECONOPOLIS. REACTIES ZIJN WELKOM OP trends@econopolis.be Geert Noels