Sinds een vijftal jaar komt op het aangifteformulier in de personenbelasting een speciaal vak voor waar de belastingplichtige moet vermelden of hij, of een van zijn gezinsleden, titularis is van een buitenlandse bankrekening. Als dat inderdaad het geval is, moet ook het land worden vermeld waar de rekening wordt aangehouden.
...

Sinds een vijftal jaar komt op het aangifteformulier in de personenbelasting een speciaal vak voor waar de belastingplichtige moet vermelden of hij, of een van zijn gezinsleden, titularis is van een buitenlandse bankrekening. Als dat inderdaad het geval is, moet ook het land worden vermeld waar de rekening wordt aangehouden.Heeft de belastingplichtige noch iemand van zijn gezinsleden een buitenlandse bankrekening, dan mag het vak niet blanco worden gelaten: de belastingplichtige is in dat geval verplicht nihil te antwoorden, zowel op de vraag of er een buitenlandse rekening bestaat als op de vraag in welk land een rekening wordt aangehouden. De bedoeling van die vragen is duidelijk. De fiscus wil op het spoor komen van roerende inkomsten die misschien door de belastingplichtige niet zijn aangegeven. Geheim. Dat talrijke landgenoten er een buitenlandse bankrekening op na houden, is een publiek geheim. En dat velen de gewoonte hebben om de inkomsten van een dergelijke rekening voor de fiscus te verzwijgen, is ook bekend. Men mag bijgevolg aannemen dat de verplichting om het bestaan van een buitenlandse bankrekening op het aangifteformulier te onthullen, in menige Belgische slaapkamer voor slapeloze nachten heeft gezorgd. Voor wie een buitenlandse bankrekening heeft waarvan de inkomsten in het verleden voor de fiscus verzwegen zijn, is het dilemma immers onontkoombaar. Positief antwoorden op de vraag naar het bestaan van een buitenlandse bankrekening staat gelijk met het zichzelf aan de galg praten. De belastingplichtige weet dan dat hij vragen van de fiscus mag verwachten naar de inkomsten die een dergelijke rekening heeft opgebracht. En dat hem aanvullende aanslagen, belastingverhogingen en nalatigheidsinteresten te wachten staan, inclusief het nooit uit te sluiten risico van een strafrechtelijke vervolging als de fiscus klacht zou neerleggen bij het parket. Vandaar dat in de praktijk veel belastingplichtigen er voor hebben geopteerd om hun mond te houden, en het betrokken vak niet in te vullen. Of hen veel kan worden verweten, is overigens niet zeker. Bij fiscale procedures die kunnen uitmonden in een strafrechtelijke veroordeling, is ook al door de hoogste rechtsinstanties beslist dat men zich kan beroepen op het zwijgrecht. Reactie. Over de reactie van de fiscus op het massaal niet invullen van het vak over het bestaan van de buitenlandse bankrekeningen is officieel niet veel geweten. Een aantal jaar geleden is aan de toenmalige minister van Financiën gevraagd wat de fiscus van plan was. De minister bevestigde dat de administratie geen plannen koesterde om de aangifte systematisch terug te sturen met het verzoek het betrokken vak alsnog in te vullen. En, dat het aan de belastingcontroleur is om de nodige vragen om inlichtingen te versturen zodra hij de indruk heeft dat de belastingplichtige de juiste informatie heeft achtergehouden. Was het omdat de belastingplichtige het eerste jaar nihil had ingevuld en daarna het betrokken vak oningevuld had gelaten dat de belastingcontroleur argwaan kreeg? Dat is uit het vonnis van de correctionele rechtbank in Leuven niet af te leiden. Feit is dat de administratie er op de een of andere manier lucht van kreeg dat de belastingplichtige in kwestie wel degelijk over een buitenlandse bankrekening beschikte waarvan hij de inkomsten nooit had aangegeven. Wat er daarna precies is gebeurd, en wat de belastingambtenaren danig op de heupen heeft gewerkt, is uit het vonnis evenmin af te leiden. Feit is dat de administratie klacht neerlegde bij het parket. Het openbaar ministerie besliste tot vervolging over te gaan. Met als resultaat dat de belastingplichtige strafrechtelijk ter verantwoording werd geroepen voor de correctionele rechtbank. Vergeten. Het verweer van de belastingplichtige dat hij het vak in de aangifte vergeten in te vullen was, kon de rechtbank niet vermurwen (vonnis van 18 juni 2002). De rechtbank liet verstaan dat het nagenoeg onmogelijk is het betrokken vak over het hoofd te zien. Het staat immers helemaal achteraan, vlak boven de plaats waar men zijn handtekening moet zetten. De rechtbank geloofde trouwens niets van het verhaal. De man in kwestie had het eerste jaar heel bewust nihil vermeld. Bovendien blijkt uit de verhoren dat hij wel degelijk op de hoogte was van het bestaan van de aangifteplicht. Maar uiteindelijk oordeelde de rechtbank mild. Gezien de gevorderde leeftijd van de betrokkene en het feit dat hij loyaal had meegewerkt tijdens het onderzoek, verleende zij hem het voordeel van de opschorting. Dit wil zeggen dat de veroordeling voorlopig niet wordt uitgesproken, op voorwaarde dat de man zich in de eerstvolgende periode gedeisd houdt. Zonden. Eind goed, al goed dus. Toch moeten we opnieuw de vraag stellen of het niet dringend tijd is om de aangifteplicht van buitenlandse bankrekeningen te omringen met begeleidende maatregelen. Bedoeld zijn: maatregelen waarbij belastingplichtigen die hun zonden belijden niet moeten vrezen in een fiscale hel terecht te komen. In Italië hebben ze dat inmiddels begrepen, en zelfs de Duitse bondskanselier is zo'n idee - als men de dagbladpers mag geloven - niet ongenegen. Het bijbelse verhaal over de verloren zoon die de weg naar zijn vader terugvindt, kan allicht nuttige inspiratie bieden. Jan Van Dyck [{ssquf}]De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.De verplichting om het bestaan van een buitenlandse bankrekening op het aangifteformulier te onthullen, zorgt nog steeds voor slapeloze nachten.