Historisch gezien is technologie de voornaamste kracht om grenzen te openen. In de negentiende eeuw werd de globalisering aangewakkerd door de verspreiding van stoomschepen en koelinstallaties, de uitbreiding van de spoorwegen en de uitvinding van de telegraaf. In de jaren tachtig en negentig was dat de container en recenter nog het internet, die het mogelijk maakten informatie en diensten in een oogwenk uit te wisselen.
...

Historisch gezien is technologie de voornaamste kracht om grenzen te openen. In de negentiende eeuw werd de globalisering aangewakkerd door de verspreiding van stoomschepen en koelinstallaties, de uitbreiding van de spoorwegen en de uitvinding van de telegraaf. In de jaren tachtig en negentig was dat de container en recenter nog het internet, die het mogelijk maakten informatie en diensten in een oogwenk uit te wisselen. Maar technologie alleen is niet genoeg. Globalisering heeft ook politieke steun nodig. In 1973 wees Charles Kindleberger al op het belang van een economische grootmacht die kan optreden als importer of last resort en financier van het wereldwijde monetaire systeem. Tot 1914 was dat Groot-Brittannië. In 1846 verlaagde dat land eenzijdig de invoerheffingen door de Corn Laws in te trekken en in 1860 ondertekende het een vrijhandelsakkoord met Frankrijk, dat een heilzame spiraal van dalende tarieven over heel de wereld inluidde. Als garant van de goudstandaard maakte Groot-Brittannië het systeem van vaste wisselkoersen mogelijk, waarbij de tekorten van sommige landen gefinancierd en de overschotten van andere opgeslorpt werden. "Wat voor een uitzonderlijke episode in de economische vooruitgang van de mens was toch dat tijdperk dat een einde nam in 1914", schreef John Maynard Keynes in 1920. Hij maakte zich terecht zorgen dat het door de Eerste Wereldoorlog aangetaste economisch systeem nog verder zou fragmenteren. Een decennium later ging het zelfs helemaal de dieperik in omdat, zoals Kindleberger schreef, "Groot-Brittannië niet bij machte was op te treden als stabilisator, en de Verenigde Staten dat weigerden. Elk land beschermde zijn eigen nationale belangen, in heel de wereld ging het openbaar belang de afgrond in en dat trok ieders privébelang mee." In 1945 bleken de Verenigde Staten dan toch bereid de rol van wereldleider op zich te nemen. Het streven naar internationale vrede en vrijheid is "volledig verbonden met een derde doelstelling: het herstel van de wereldhandel", zei Harry Truman in 1947. De VS onderschreven het Internationaal Monetair Fonds en het Bretton Woods-systeem van vaste wisselkoersen om een einde te maken aan de de-ene-zijn-dood-is-de-andere-zijn-brooddevaluaties, en ze sloten zich ook aan bij de GATT (General Agreement on Tariffs and Trade) om handelsgeschillen te vermijden. De instorting van Bretton Woods, twee olieschokken en de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis stelden in de jaren zeventig en tachtig de globalisering zwaar op de proef. Beducht voor de toenemende economische macht van Japan gingen de VS de protectionistische toer op. Maar in 1989 viel de Berlijnse Muur en in de jaren negentig spatte de Japanse zeepbel uiteen. De VS werden de 'hyperpower' die toezicht hield op een ongekende uitbreiding van de globalisering. Dezer dagen taant de ster van de VS. Uit een peiling van het Pew Research Centre kwam begin dit jaar naar voren dat in 23 van 39 landen de grootste groep respondenten meent dat China de VS vervangt als de belangrijkste supermogendheid. Maar het duurt nog wel even voor de Amerikaanse ster definitief implodeert. China is nog niet klaar om de rol van wereldleider te spelen.