De revanche van Kubla
...

De revanche van KublaEen parlementaire vraag van VLD-kamerlid Filip Antheunis en bijkomende cijfers van het Vlaams Economisch Verbond (VEV) zorgden voor een opwelling van ouderwetse Waals-Vlaamse bekvechterij. Het gehakketak ging over eenvoudige cijfers: van het totale aantal schorsingen van werklozen gebeurt 73,1% in Vlaanderen, 17% in Brussel en 19,9% in Wallonië. Die regionale verdeling contrasteert nogal fel met die van het aantal als werkzoekend ingeschreven werklozen: 52,2% in Wallonië, 32,4% in Vlaanderen en 15,4% in Brussel. Gedelegeerd bestuurder Philippe Muyters van het VEV vroeg zich af of die opmerkelijke verschillen te maken hebben met sterk uiteenlopende arbeidsmarkten, of met afwijkende toepassingen van de federale wetgeving. Het feit dat Muyters liet doorschemeren dat wellicht het laatste het geval is, schoot bij nogal wat Walen in het verkeerde keelgat. De meest verbluffende reactie kwam van Serge Kubla, Waals minister van Economie. Die gaf net niet volmondig toe dat men in Wallonië inderdaad de federale wetgeving over schorsing van werklozen laks toepast. Maar, zo orakelde de PRL-excellentie in L'Echo de la Bourse, Vlaanderen moet zich daar maar bij neerleggen want: "Vlaanderen stelt zich heel lankmoedig op qua controles op de ondernemingsfiscaliteit en op zwartwerk. Op die gebieden zijn de Waalse autoriteiten onverzettelijk." Naast het feit dat Kubla wel eens mag aantonen dat Wallonië zoveel strikter is op ondernemingsfiscaliteit en zwartwerk, klinkt het haast onwezenlijk dat een minister een dergelijke vergelijking aangrijpt als verdediging. Beste lezer, breekt u rustig in bij uw buurman. U hebt daar het recht toe want honderden dieven blijven in België uit de handen van de wet. U mag van Kubla rustig uw slagje slaan.De rekenkunde van Vande LanotteVice-premier en minister van Begroting Johan Vande Lanotte ( SP) zit met een groot probleem. De regering pochte immers dit jaar te zullen uitkomen op een begrotingsoverschot van 0,2% van ons bruto binnenlands product (BBP). Dat heugelijke vooruitzicht staat sterk op de helling door de tegenvallende economische groei en de escalerende uitgaven in de ziekteverzekering. Maar voor Vande Lanotte klemt het schoentje elders. Hij kreeg het tijdens de begrotingscontrole gedaan dat men 250 miljoen euro (ongeveer 10 miljard frank) als bijkomende inkomsten inschreef; die som zou uit de bestrijding van BTW-fraude gepuurd worden. De minister liet duidelijk verstaan dat er een spectaculaire toename van de BTW-carrousels bestaat. Informele navraag op het kabinet van Financiën en op de controlediensten van de BTW leert dat niemand goed weet waar Vande Lanotte het eigenlijk over heeft. Er lopen continu dossiers over BTW-fraude. Een opvallende toename in het aantal of de omvang van die fraudedossiers viel de voorbije maanden niet te bespeuren. Het regeringsengagement om in één jaar 250 miljoen euro extra binnen te halen dankzij betere fraudebestrijding, noemen ze op de bevoegde diensten "onzin".In de realiteit gaat het om een politiek manoeuvre van Vande Lanotte. Toegeven dat de tegenvallende groei zijn inkomsten fors ondergraaft, zou betekenen dat hij en zijn kabinetsmensen eigenlijk hun job niet goed gedaan hebben. De aandacht verleggen naar belastingfraude ligt dan als politieke strategie voor de hand. Vooral omdat zo de discussie over de geplande verlaging van de vennootschapsbelasting een voortijdige nekslag krijgt. Bovendien komen op die manier argumenten op tafel om de al ingeschreven vermindering van de personenbelasting te herzien. Laat de VLD zich zo makkelijk vliegen afvangen?Het korte geheugen van FabiusOok Laurent Fabius, de Franse minister van Financiën, zit met de krampen door de groeikrimp. Net voor zijn vertrek naar de G8-top van 7 en 8 juli in Genua veegde Fabius de Amerikanen stevig de mantel uit. Zij en de stijging van de olieprijzen liggen aan de basis van de terugval van de economische groei, wereldwijd en binnen de Europese Unie. De uitval van Fabius is misplaatst. Ten eerste groeide de Amerikaanse economie de jongste jaren zó sterk dat een terugval niet alleen onvermijdelijk maar zelfs wenselijk werd om op termijn een nog grotere klap te voorkomen. Ten tweede doen de Amerikanen er (zowel monetair als budgettair) de jongste maanden alles aan om het groeitij te keren. In elk geval meer dan de Europeanen. Ten derde veegt Fabius onder de mat wat de Amerikanen de afgelopen vier jaar nagenoeg op hun eentje presteerden. De VS sleurde de rest van de wereld immers zonder al te veel kleerscheuren doorheen de Aziatische en Russische crisissen en door de problemen die landen als Mexico en Brazilië veroorzaakten. Ten slotte vergeet de Franse minister ook gauw even dat de Europese economieën het nu al jaren heel moeilijk hebben om op eigen kracht hun groei-elan gaande te houden. Dat contrasteert scherp met de Amerikaanse ervaring, terwijl beide blokken economisch gezien nagenoeg even zwaar wegen.ECB masseert de cijfersHet feit dat Fabius het groei-onvermogen van de Europese Unie tracht weg te moffelen, sluit perfect aan bij de thematiek van een studie in het jongste maandbulletin van de ECB: "Nieuwe technologieën en productiviteit in het eurogebied". Het woord studie staat hier enigszins ongepast. De ECB-studaxen duwen en wringen immers met cijfers om te komen waar ze willen komen. En dat einddoel is het argument dat er _ ondanks de vloed aan nieuwe technologie _ vooral qua informatica en telecommunicatie niet echt sprake is van een "nieuwe economie" waarin de productiviteit structureel hoger ligt. De groeivoet van het potentiële BBP, een erg belangrijke parameter voor het monetaire beleid, nam niet echt toe. Met die stelling ondersteunt de studiedienst van de ECB het verhaal dat voorzitter Wim Duisenberg al herhaaldelijk de internationale pers oplepelde. De ECB heeft dit type van argumentatie nodig om haar stugge monetaire beleid te kunnen verdedigen op basis van "wetenschappelijke" elementen. Het gaat er ons niet zozeer om of de ECB nu gelijk heeft of niet. Waar het wel om gaat, is de manier waarop ze cijfers hanteert en masseert om tot de vooropgestelde conclusies te kunnen komen. Twee aspecten springen daarbij in het oog. Ten eerste: in het onderdeel waar de ECB argumenteert dat de kloof qua nieuwe economie tussen het eurogebied en de VS al bij al niet zo groot uitvalt, reduceert men de eurozone tot Duitsland, Frankrijk, Italië en Finland. Waarom Finland? Wegens het beschikbare cijfermateriaal, klinkt het in Frankfurt. Men kan hier veel bij bedenken maar zo'n antwoord is gewoon lachwekkend. De door de ECB gebruikte STAN-database van de Organisatie voor Europese Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) is uitermate gedetailleerd voor alle lidstaten. Finland is een heus hightechland (denk maar aan Nokia) dat het Europese "gemiddelde" op het vlak van technologiegerichtheid veel meer ten goede komt dan pakweg Portugal, Griekenland of zelfs België. Dáárom koos men voor Finland. In een andere context kiest de ECB in de studie trouwens voor Nederland als vierde wiel aan de wagen van de grote drie. Maar hoe werden die cijfers van de vier landen verwerkt tot een gemiddelde voor de eurozone? Wellicht op basis van een gewogen gemiddelde, maar volgens welke maatstaf? Niemand kon het bij de ECB met zekerheid zeggen maar, zo kregen we te horen, allicht werden de gegevens gewoon op basis van gelijkheid bij elkaar genomen en verwerkt tot een rekenkundig gemiddelde. Dus Finland weegt even zwaar door als Duitsland? "Euh, ja, já," klinkt het na enig gekuch en vooral veel stilte.De tweede opmerkelijke scheeftrekking is dat de ECB haar studiewerk in de jaren 1998 en 1999 afsluit. Dat maakt dat de jaren waarin de investeringen in informatie- en communicatietechnologie het zwaarst doorwogen voor de globale economie slechts gedeeltelijk in de studie verwerkt zitten. Met andere woorden: de periode die de basisstelling van de ECB op de helling zou kunnen zetten, wordt al aan de bron gekortwiekt. Dergelijk krakkemikkig studiewerk komt de al zo gehavende geloofwaardigheid van de ECB en haar voorzitter absoluut niet ten goede.De zomereuforie van O'NeillNog meer vreemds kregen we van de Amerikaanse minister van Financiën Paul O'Neill. En ook zijn onderminister John Taylor liet zich niet onbetuigd. Na een reeks ongelukkige uitspraken over (onder meer) de dollar, de pensioenen en de ziekteverzekering, zei O'Neill in een interview met The Financial Times dat hij verwacht dat de Amerikaanse economische groei volgend jaar zeker boven de 3% zal uitklimmen. Dat valt niet uit te sluiten, maar als minister van Financiën zou de Alcoa-topman vandaag toch iets genuanceerder mogen zijn in zijn optimisme en een minimum aan respect tonen voor de intelligentie van het publiek. John Taylor van zijn kant toonde zich in diezelfde Financial Times diep bezorgd over de schaduw die de aanslepende macro-economische problemen van Japan over de wereldeconomie werpt. Een waarheid als een koe. Maar wat Taylor niet vermeldde, is dat de Amerikaanse angst voor Japan een heel andere oorsprong heeft. Na de correcties op de aandelenbeurzen heerst in de VS grote bezorgdheid over de vastgoedmarkt. Nu bezitten Japanse banken, bedrijven en particulieren massa's vastgoed in de VS. Als de problemen in eigen land aanslepen of nog intensifiëren, dan mag gevreesd worden dat de Japanners massaal zullen verkopen. En dat in een markt waar het evenwicht tussen vraag en aanbod al kantje boord is. John Taylor zwetst niet; hij houdt zijn grootste angst voor het grote publiek verborgen. Dat is een belangrijke nuance.Johan Van OvertveldtWallonië ritselt met werklozen? Geeft niet, Vlaanderen doet het met ondernemersfiscaliteit en zwartwerk, vindt Waals minister Kubla.Minister Vande Lanotte wil 250 miljoen euro cashen met betere fraudebestrijding. Zijn diensten weten niet waarover hij het heeft.