De oude slogans tegen fiscale autonomie van de deelstaten worden opgeborgen. Unaniem eist Vlaanderen meer fiscale autonomie. Ook in Wallonië groeit de vraag naar een verder strekkende fiscale onafhankelijkheid. Een volwaardig sociaal-economisch beleid, zonder eigen belastingen, is immers niet mogelijk. Vandaag niet, maar ook morgen niet. En ook overmorgen niet.
...

De oude slogans tegen fiscale autonomie van de deelstaten worden opgeborgen. Unaniem eist Vlaanderen meer fiscale autonomie. Ook in Wallonië groeit de vraag naar een verder strekkende fiscale onafhankelijkheid. Een volwaardig sociaal-economisch beleid, zonder eigen belastingen, is immers niet mogelijk. Vandaag niet, maar ook morgen niet. En ook overmorgen niet.De consensus rond de herziening van de federale financieringswet, die van kracht is sinds 1989, groeit. Ook premier Jean-Luc Dehaene (CVP) verdedigde in zijn State of the Union, die hij bracht op uitreiking van de Trends/prijs Manager van het Jaar, een volledige overdracht van alle gewestbelastingen: de registratierechten, de verkeersheffingen, het kijk- en luistergeld enzovoort - als de operatie maar neutraal blijft voor de federale schatkist. Bovendien zouden de deelgebieden de mogelijkheid moeten krijgen om vrijstellingen en kortingen op de personen- en vennootschapsbelasting in te voeren, aldus vice-premier Herman Van Rompuy (CVP). Een minimalistisch model, waarover de eensgezindheid groot is. Maar de Vlamingen willen méér. Zelfs de socialisten, die van oudsher een unionistisch getinte kijk hebben op de problematiek, gaan akkoord met een splitsing van de personenbelasting (zie kader Solidariteit). Begrotingsminister Wivina Demeester (CVP) gaat nog een stap verder. Zij pleit voor de overdracht van de gezondheidszorg en de kinderbijslag naar de gemeenschappen. Om dat te kunnen financieren, vraagt ze de volledige overheveling van de personenbelasting naar de gewesten en gemeenschappen. Daarnaast vragen de Vlaamse partijen dat de opbrengsten van de vennootschapsbelasting naar de gewesten worden doorgestort volgens een bepaalde verdeelsleutel. De grondslag en het tarief blijven federaal. Een compromis à la flamande. Maar ook een ander fiscaal model - het regionale, coöperatieve model - wint veld: dat van professor Jef Vuchelen ( VUB). Om schadelijke concurrentie op het Belgische grondgebied te voorkomen, pleit hij ervoor dat de regio's een gemeenschappelijke belastinggrondslag bepalen in onderling overleg en dat ze de grenzen, waarbinnen ze hun tarieven autonoom kunnen bepalen, vastleggen. Maar hoe groot moet of zal de solidariteit zijn tussen de deelstaten onderling - de horizontale solidariteit? En hoe groot de verticale solidariteit - tussen de regionale en de federale overheid? Dat blijft één van de knelpunten. Lange tijdschreven onze beleidsvoerders het idee van een fiscale autonomie voor gemeenschappen en gewesten af, uit vrees voor een concurrentievervalsing of zelfs de splitsing van het land. Maar nu de Europese Monetaire Unie ( EMU) een feit is, zijn de politieke partijen het erover eens, dat de regio's een eigen sociaal-economisch beleid mogen voeren. Concreet sluit de commissie staatshervorming van het Vlaams parlement begin februari haar rapport over fiscale autonomie af, met een vrij grote eensgezindheid omtrent het principe. Alleen over praktische modaliteiten wordt nog gediscussieerd. Achter de verschillende standpunten schuilt vaak een verborgen agenda. Het debat over de nieuwe staatshervorming vormt de échte inzet van de volgende verkiezingen.Een tijdbomVoorlopig krijgen de gemeenschappen en gewesten alleen maar dotaties van de federale regering om hun uitgaven te betalen (zie grafiek Waar gaat ons geld naartoe?). De huidige financieringswet, die dat principe formuleert, is echter een tijdbom. Op basis van deze wet verminderen de overdrachten naar de gewesten structureel, met als doel de sociale zekerheid veilig te stellen op nationaal vlak. Uit een recente studie van Ires - het economisch en sociaal onderzoekscentrum van de UCL - blijkt immers dat de vergrijzing van de bevolking geen extra inspanning van de federale overheid (maximaal 1% van het BBP) zal vereisen. Enerzijds is dat te danken aan de Maastricht-norm, anderzijds zal het een gevolg zijn van een vermindering van de BTW-dotatie aan de regio's (!). Hoe is dat mogelijk? Op basis van de financieringswet daalt de onderwijsdotatie van 3,9% van het bruto binnenlands product ( BBP) in 1999 naar 1,1% in 2050, wat een reële inlevering betekent van maar even 259 miljard frank (zie grafiek Financiering gewesten en gemeenschappen). De verklaring voor dat cijfer ligt in het feit dat de BTW-ristorno's alleen worden geïndexeerd en niet gekoppeld zijn aan de reële groei. Daarbij komt dat de dotatie duidelijk vermindert vanaf 2005 ten gevolge van de denataliteit. Vermits de onderwijsbegroting voor 80% bestaat uit lonen, kan alleen een drastische sanering dit tekort opvullen. Op termijn betekent dit, dat er ofwel een eenheidsnet moet worden ingevoerd, of dat het gratis onderwijs moet worden opgeheven ( nvdr - 115.000 frank extra schoolgeld van kleuter tot universitair levert 259 miljard frank op). Merk op dat dit structureel probleem niets te maken heeft met de 8 miljard die de Franse gemeenschapsminister van Begroting, Jean-Claude van Cauwenberghe (PS), eenmalig terugeist van de federale regering. Dat bedrag zou een gevolg zijn van een verkeerde berekening gedurende tien jaar van de telling van jongeren van nul tot achttien jaar, een telling die gebruikt wordt voor de berekening van de denataliteit. Interregionale solidariteitNaast de verticale solidariteit tussen de federale en de regionale overheden, is er het probleem van de horizontale solidariteit tussen de regio's. Uit een geactualiseerde studie van Edwin De Boeck en Johan Van Gompel ( KBC) blijkt dat het mechanisme, Brussel en Wallonië samen jaarlijks 41,6 miljard frank oplevert. Tel daar de solidariteit via de federale begroting (exclusief rentelasten) en de sociale zekerheid bij en je komt aan een Vlaamse transfer van niet minder dan 186,5 miljard frank (waarvan 33,3 miljard voor Brussel). Gelukkig is deze stroom in verhouding tot onze draagkracht niet of nauwelijks gestegen: van 3,5% in 1990 klom hij lichtjes naar 3,7% in 1996. Het huidige stelsel leidt ook tot een ander heikel punt. De nieuwe inkomensparadox in Brussel bijvoorbeeld: hoe rijker het gewest, hoe meer transfers. Hoewel het inkomen per hoofd in de hoofdstad hoger ligt dan het federaal gemiddelde, en ook hoger dan het gemiddelde in Vlaanderen, ontvangt Brussel een bijdrage uit de Vlaamse solidariteit. Dit alles weerspiegelt volgens De Boeck de sociaal-economische problemen alsook de grote inkomensongelijkheid in het Hoofdstedelijk Gewest: "Door de relatief oude bevolking en de hoge werkloosheid ontvangt de gemiddelde Brusselaar de hoogste sociale uitkeringen per hoofd van de bevolking".Een stabiele basis voor een gezond overheidsbeleid levert de financieringswet de gewesten en gemeenschappen met andere woorden niet. Impliciet dwingt het stelsel de regio's tot bijkomende heffingen. En hoewel de federale regering dit wist, ondernam ze niets tijdens de discussie over de Sint-Michielsakkoorden in 1993. Vandaag is het echter vijf voor twaalf. De financieringswet moet hoogdringend worden afgeschaft en omgezet in een stabiel systeem, dat eens en voor altijd echte, fiscale autonomie kan waarborgen. Coöperatief federalismeDe meeste specialisten pleiten bij de overdracht van nieuwe belastingbevoegdheden aan de deelgebieden voor een harmonisering van de belastbare basis. Binnen de Europese en de Belgische Economische en Monetaire Unie lijken grote, regionale verschillen in grondslag weinig haalbaar noch opportuun. Maar wie zal instaan voor de coördinatie? Tot nu bleef de belasting federaal en kregen de gemeenschappen en gewesten hoogstens de toelating om opcentiemen te heffen of kortingen toe te staan. Maar van deze schoonmoederfilosofie - die terug te vinden is in een document van de Hoge Raad van Financiën ( nvdr - echter niet door plenaire zitting goedgekeurd) - wil men af. De professoren Henry Tulkens (UCL) en Jef Vuchelen ( VUB) stellen een andere oplossing voor. Zij pleiten voor een ver(der)gaande fiscale autonomie over de landsgrenzen heen, binnen een model van regionale, fiscale coöperatie. De uniformiteit van de belastbare grondslag en zelfs bepaalde tariefafspraken moeten het resultaat (kunnen) zijn van overleg tussen de gewesten. Vanuit politiek-strategisch oogpunt leidt het coöperatief federalisme tot betere resultaten dan het afwentelen van regionale aspiraties op het federale niveau - het federale dat zijn legitimiteit trouwens haalt uit zijn samenstellende delen. Tulkens besluit zelfs dat het misschien beter is het gebrek aan overeenstemming tussen de deelgebieden tot uiting te laten komen in regionale verschillen in belastbare grondslag, dan te zoeken naar een inefficiënt, federaal compromis. OversolidariteitVandaag wordt geregeld gesteld dat de regio's meer fiscale autonomie krijgen in ruil voor een extra inspanning om de totale staatsschuld te delgen. Eventuele interestschokken zouden in dat geval verdeeld kunnen worden tussen de federale overheid, de sociale zekerheid en de regio's pro rata van hun eigen inkomsten.Maar hoewel de standpunten inzake fiscale autonomie en schulddeelname nog verzoenbaar zijn, blijken de meningen over de duur en de intensiteit van de solidariteit tussen de deelgebieden sterk te verschillen.Vlaanderen bijvoorbeeld stelt dat de expliciete solidariteit tussen de deelstaten er moet komen via een omkeerbaar, doorzichtig en op objectieve parameters georganiseerd mechanisme. Een resolutie van het Vlaams Parlement van 25 november 1998 stelt daaromtrent, dat dit er niet mag toe leiden, dat de ontvangende deelstaat per capita meer overhoudt dan de betalende deelstaat. De Waalse politici echter, die een egalisering van de levensomstandigheden van de burgers van de verschillende regio's voor ogen hebben, pleiten voor (over)solidariteit.Toch is niet het beschikbaar inkomen van de regionale overheid van belang, maar wel het begrip beschikbaar inkomen van de inwoners van elke regio, nuanceren Philippe Cattoir ( Core, het econometrisch centrum van de UCL) en Henry Tulkens (UCL). De Franstalige profs verwijzen naar Duitsland, maar zij vergeten erbij te vermelden, dat het solidariteitsmechanisme ook bij onze oosterburen in vraag wordt gesteld, omdat het er te weinig responsabiliserend en te egaliserend werkt. In die zin is solidariteit dan ook eerder een politieke eis dan wel een economische voorwaarde. Nochtans erkennen Tulkens en Cattoir dat een financiële solidariteit tussen de deelgebieden niet noodzakelijk is voor het overleven van een staat. De maatschappelijke kosten van de transfers moeten namelijk in overeenstemming zijn met de voordelen van het samenleven, anders heeft een Belgische unie niet veel zin meer. En wat met Brussel? Enerzijds is de hoofdstad te klein om op eigen benen te staan. Anderzijds stuit het idee van een subnationaliteit - waarbij de inwoners moeten kiezen voor een Vlaams of Waals belastingregime - nog steeds op weerstand. De oplossing ligt in een afzonderlijk statuut, waarbij de gemeenschappen gedeeltelijk zouden meefinancieren in ruil voor meer zeggenschap en/of controle. In die zin maakt de oude gedachte van een extraterritoriaal departement of een Washington aan de Zenne naar het model van Washington D.C. (zie Trends, 5 januari 1989) opnieuw kans. Zo niet tekent de toekomst van onze hoofdstad zich somber af: de fiscale basis erodeert en de sociale gegadigden nemen snel en fors toe. "Brussel wordt een weinig appetijtelijke bruid", besluit Edwin De Boeck (KBC) filosofisch.GUY CLÉMER ERIC POMPEN