Als politiek echt een tak van de economie was, zoals de mode ons tegenwoordig wil doen geloven, dan zou Tony Blair de kiezers in 2001 vol vertrouwen in de ogen kunnen zien. Met de mogelijke uitzondering van Harold MacMillan in 1959, heeft niet één Britse premier aan het einde van een regeringstermijn zo'n vlekkeloze staat van economische dienst kunnen presenteren.
...

Als politiek echt een tak van de economie was, zoals de mode ons tegenwoordig wil doen geloven, dan zou Tony Blair de kiezers in 2001 vol vertrouwen in de ogen kunnen zien. Met de mogelijke uitzondering van Harold MacMillan in 1959, heeft niet één Britse premier aan het einde van een regeringstermijn zo'n vlekkeloze staat van economische dienst kunnen presenteren.De macrostatistieken van dit Britse economische mirakel zijn zo bekend dat ze geen nadere toelichting behoeven. De werkloosheid is al een generatie lang niet meer zo laag geweest en zal medio 2001 vrijwel zeker beneden de 4% zijn gedaald. De inflatie is vrijwel uitgeroeid en daarmee ook de inflatieprognoses die worden verdisconteerd in loonafspraken, bedrijfsstrategieën en de rentestand. Naar inkomen per hoofd van de bevolking gerekend is Groot-Brittannië Italië al lang voorbijgestreefd, gaat het statistisch gezien nek-aan-nek met Frankrijk en zal het eind 2001 Duitsland dicht op de hielen zitten.Allemaal erg indrukwekkend, maar wat er écht ongewoon is aan het economische record van Labour, is dat deze glanzende cijfers niet zomaar een pre-electorale opbloei van voorbijgaande aard of een cyclisch herstel van een eerdere recessie of een valutacrisis zijn. Het bewind van minister van Financiën Gordon Brown is door geen enkele economische crisis ontsierd, en dat heeft geen enkele naoorlogse collega hem voorgedaan.Noch de stijgende olieprijzen, noch de blijvend sterke positie van het pond ten opzichte van de euro, noch de kleine verdere verhoging van de rente die de Bank of England waarschijnlijk zal doorvoeren, zullen de economie serieuze schade berokkenen. Integendeel, de kracht van de Britse economie zal voor het achtste achtereenvolgende jaar de verwachtingen van de meeste analisten overtreffen. Zo voorspelde het Internationaal Monetair Fonds (IMF) dit najaar in zijn World Economic Outlook dat de Britse groei van 3,1% in 2000 zou vertragen tot 2,8% in 2001. In werkelijkheid zal de stijging van het bruto binnenlands product (BBP) zowel in 2000 als in 2001 dichter bij de 3,5% uitkomen, gedragen door de inkomensgroei van de consumenten, stijgende huizenprijzen, een sterkere export naar Europa en ook doordat minister Brown de hand wat minder op de knip van de openbare uitgaven zal houden.Nog beter is dat de enige macro-economische kwestie die de Britse regering in 2001 in verlegenheid had kunnen brengen - haar belofte om te proberen de euro Groot-Brittannië binnen te loodsen - voorlopig van de agenda is afgevoerd. Na het Deense 'neen' aan de euro zal de regering de 'vijf economische tests' voor het meedoen aan de euro waarschijnlijk wat serieuzer afnemen dan ze oorspronkelijk van plan was. Als het moment voor de evaluatie in 2001 is gekomen, zal het ministerie worden aangemoedigd om rigoureus en eerlijker te werk te gaan. Gezien de hoge eisen die de Britse regering aan het eurolidmaatschap stelt ('Duidelijke en ondubbelzinnige voordelen voor de Britse economie'), staat nu al vrijwel vast dat de Treasury "nog niet" zal zeggen. Dat betekent dat het eurobesluit tot ten minste 2005 zal worden opgeschort.Dit alles zal het duo Blair en Brown uit electoraal oogpunt mooi uitkomen. Cynische Britse kiezers zullen zich jegens Labour echter weinig dankbaar tonen voor zijn economische prestaties. En in een aantal belangrijke opzichten hebben ze ook gelijk om ontevreden te blijven.Lage productiviteitNu welvaart steeds meer als een vanzelfsprekendheid wordt beschouwd, zullen kiezers gaan denken dat niet-inflatoire groei een natuurlijke conditie van elk fatsoenlijk kapitalistisch stelsel is, en geen godsgeschenk van een groepje wonderen verrichtende politici. Ze zullen ook meer aandacht gaan schenken aan de smetten op het micro-economische blazoen van Groot-Brittannië die bij alle zelfvoldaanheid over de macro-economische verrichtingen over het hoofd zijn gezien. De donkerste van deze smetten is het Britse productiviteitsprobleem.Dat probleem wordt niet alleen weerspiegeld in het lage productiepeil van de Britten ten opzichte van de overige G7-landen, dat voor een deel nog kan worden afgedaan als de historische erfenis van slecht management en onderbesteding. Verontrustender is de geringe groei van de productiviteit, zelfs bij de nu heersende gunstige macro-economische omstandigheden. Deze opmerkelijk lage productiviteitsgroei houdt in dat de Britten het beter doen door langer en harder te werken, niet door 'slimmer' te werken. Hoe goed de Britse economie het ook lijkt te doen, de onderliggende inefficiëntie wordt ten opzichte van de rest van de wereld alleen maar erger.Dit productiviteitsprobleem komt voort uit twee micro-economische kwesties: belastingen en regulering. De Conservatieven zullen zeker de hoge belastingen als de hoofdoorzaak van de economische problemen van Groot-Brittannië aanwijzen. Zo'n campagne heeft echter weinig kans van slagen. Iedereen zou natuurlijk wel graag minder belasting betalen, en de Britten zouden er waarschijnlijk verstandig aan doen de restanten van de openbare sector - gezondheidszorg, onderwijs en pensioenen - wat meer aan particuliere financiering over te laten.Maar er zijn weinig aanwijzingen dat de Britse kiezers zo kort na Margaret Thatcher toe zijn aan een tweede grote bezuinigingscampagne in de openbare sector. En er zijn nog minder aanwijzingen dat de productiviteitsgroei ernstig door de belastingen wordt gehinderd. Ondanks een kleine stijging van de belastingen tot 37,5% van het BBP zal Groot-Brittannië in 2001 de laagste belastingdruk van Europa hebben en een belastingstructuur die transparanter is dan die van het Amerikaanse, Duitse of Franse stelsel.Regulering is een andere zaak. De Britse regulerende bureaucratie is onder Labour topzwaar geworden en dreigt de komende jaren de ondernemingszin nog verder te smoren. Vooral de interactie tussen het regelgevende imperialisme van de Europese Commissie en de pedante uitvoering door een meedogenloze Britse ambtenarij, is bijzonder hardnekkig geweest. De steeds opdringeriger Europese regels over werktijden, gezondheid, veiligheid en milieu strijken het Britse bedrijfsleven steeds meer tegen de haren in.In tegenstelling tot het belastingniveau is de belastingadministratie een nog grotere steen des aanstoots geworden dan de regelgeving van de EU, vooral voor kleinere bedrijven. Het onvermogen of de onwil van de Britse overheid om haar regelneven en belastinggaarders in toom te houden, was waarschijnlijk de ware aanleiding tot de protesten tegen de brandstofprijzen in september 2000.Kort samengevat heeft Tony Blair in zijn eerste regeringsperiode de sceptici verrast door te demonstreren dat een verantwoord macro-economisch beleid geen contradictio in terminis is. Tijdens haar tweede termijn zal de Labour-leiding met een sterk geslonken meerderheid moeten opereren en zal ze heel wat meer op de proef worden gesteld. Zal Labour begrijpen dat de sleutel tot economische efficiëntie ligt in het scheppen van een waarlijk open markt, waar bedrijven hun eigen weg moeten zien te vinden?Anatole Kaletsky is columnist bij The Times en directeur van Kaletsky Economic Consulting.anatole kaletsky