In de nasleep van de bankencrisis heeft de Europese Centrale Bank (ECB) haar fameuze lagerentebeleid ontwikkeld. Daarmee wilde ze lenen goedkoper maken voor particulieren en bedrijven, om zo zuurstof te geven aan de economie. Om de banken ertoe aan te sporen goedkopere leningen te verstrekken aan hun klanten werd ook voorzien in een strafrente. Banken die niet genoeg leningen geven, moeten hun overtollige cash bij de ECB parkeren. Daarvoor rekent ze een strafrente aan van 0,5 procent.
...

In de nasleep van de bankencrisis heeft de Europese Centrale Bank (ECB) haar fameuze lagerentebeleid ontwikkeld. Daarmee wilde ze lenen goedkoper maken voor particulieren en bedrijven, om zo zuurstof te geven aan de economie. Om de banken ertoe aan te sporen goedkopere leningen te verstrekken aan hun klanten werd ook voorzien in een strafrente. Banken die niet genoeg leningen geven, moeten hun overtollige cash bij de ECB parkeren. Daarvoor rekent ze een strafrente aan van 0,5 procent. Dat is natuurlijk een doorn in het oog van heel wat banken. Als reactie op het rentebeleid van de ECB beginnen ze op hun beurt hun klanten een negatief rentetarief op te leggen zodra de deposito's van de klant een bepaalde drempel bereiken, bijvoorbeeld 250.000 euro. In dat geval moeten de klanten rente betalen aan de bank op het geld dat zij bij de bank hebben uitstaan. Maar hoe zit het fiscaal met die negatieve intresten? Positieve intresten zijn in principe belastbaar voor de ontvanger. Zijn negatieve interesten dan op de een of andere manier fiscaal aftrekbaar? Over die vraag heeft de federale overheidsdienst Financiën onlangs een rondzendbrief gepubliceerd. Daarin herhaalt de administratie de basisregel dat inkomsten uit roerende goederen en kapitalen belastbaar zijn als een roerend inkomen in de personenbelasting, en dat dat uiteraard ook geldt voor intresten op gelddeposito's. Het gaat hier dan om de vergoeding die de depositohouder verkrijgt voor het ter beschikking stellen van zijn kapitaal aan de bank, die het kapitaal vervolgens belegt of investeert.In feite fungeert de depositohouder hier als 'lener' en de bank als 'ontlener' van het kapitaal. De intresten die de depositohouder verkrijgt, zijn in principe volledig belastbaar. De innings-, bewarings- en andere kosten die de spaarder aan de bank betaalt, zijn niet aftrekbaar van de ontvangen intresten. De rondzendbrief specificeert ook dat er enkel sprake is van een belastbaar inkomen als er een vergoeding wordt betaald voor het genot van het kapitaal door de ontlener. Bijgevolg zijn de door de ontlener aan de lener betaalde intresten, op basis van een deposito of een geldlening, belastbaar als een roerend inkomen. Daarentegen, zo stelt de rondzendbrief, vormen de negatieve interesten, met name de bedragen die door de lener aan de ontlener worden betaald, geen vergoeding voor het genot van een kapitaal dat de ontlener heeft gebruikt. Aangezien bij negatieve interesten geen enkel bedrag door de lener werd geïnd of verkregen, kan er ook geen sprake zijn van een roerend inkomen. Tot slot stelt de rondzendbrief dat positieve interesten en negatieve intresten verschillend zijn uit hun aard, en dat er geen compensatie tussen beide kan gebeuren die erop gericht zou zijn een 'saldo' aan belastbare intresten te verkrijgen. Bovendien zijn de negatieve intresten in geen geval aftrekbaar. Ze komen niet voor bij de inning van een roerend inkomen en worden niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van de belastbare grondslag van zo'n inkomen. Of dit standpunt van Financiën zomaar kan worden aanvaard, is zeer de vraag. In ieder geval is het duidelijk dat hierover het laatste woord nog niet is gezegd.