Wanneer en door wie ?
...

Wanneer en door wie ?Toen de Europese Gemeenschap in 1989 de concentratieverordening goedkeurde, werden de toepassingsdrempels voor het Europese concentratietoezicht heel hoog gelegd : de betrokken ondernemingen moeten onder meer samen een omzet hebben van 5 miljard ecu, en minstens twee van de betrokken ondernemingen moeten elk een omzet hebben van 250 miljoen ecu in de Gemeenschap. Het resultaat is dat alleen overnames van ondernemingen met een omzet van minstens 10 miljard frank door heel grote groepen onderworpen zijn aan het Europese concentratietoezicht.De toepassingsdrempels werden onder meer zo hoog gelegd omdat sommige nationale kartelautoriteiten bevoegd wilden blijven voor nationaal relevante overnames. Dit creëerde evenwel een specifiek probleem voor lidstaten zonder fusiecontrole. De Commissie behandelt jaarlijks een 60-tal concentraties ; van alle transacties waarbij Belgische ondernemingen betrokken zijn, moeten er slechts enkele bij de Commissie aangemeld worden.DRIE TYPES.Veel lidstaten hebben uit dit alles de conclusie getrokken dat zij beter op nationaal niveau een eigen concentratietoezicht kunnen organiseren. Frankrijk en Groot-Brittannië activeerden hun bestaande wetgeving ; nieuwe regelingen werden ingevoerd in Italië, Spanje, Ierland en Griekenland. België volgde dit voorbeeld met de wet van 5 augustus 1991.Sindsdien kennen we in België drie types van concentraties : concentraties met een communautaire dimensie die bij de Europese Commissie aangemeld moeten worden, concentraties met een Belgische dimensie die in België aangemeld moeten worden, en concentraties die zoals vroeger geen goedkeuring behoeven of aanmelding vereisen. Een concentratie moet in België aangemeld worden wanneer de betrokken ondernemingen samen een omzet realiseren van 3 miljard frank (aanvankelijk 1 miljard) en een marktaandeel hebben van 25 % (aanvankelijk 20 %) op de betrokken markt in België.DREMPEL.Voor het beoordelen van het effect van een concentratie op de markt is het marktaandeel theoretisch veel relevanter dan omzetcijfers (zoals in de Europese verordening) of activa (zoals onder meer in Groot-Brittannië).Wanneer men een concentratietoezicht nodig acht (en daarover zijn de meningen nog altijd verdeeld), is het ook niet onredelijk te kijken naar transacties die een kwart van de relevante markt in België betreffen al zou mijns inziens een drempel tussen de 30 en 40 % te verkiezen zijn.Zoals dikwijls, is de theoretisch beste oplossing echter niet zonder nadelen in de praktijk. Omzetcijfers en balanstotalen zijn makkelijk te verifiëren gegevens ; marktaandelen zeker niet.INTERPRETATIE.Bovendien vertoont de beslissingspraktijk van de Raad nog wat schoonheidsfoutjes die ertoe leiden dat te veel transacties, die geen enkele merkbare invloed op de Belgische markt kunnen hebben, toch nog aangemeld moeten worden. De Raad acht de wet immers ook van toepassing wanneer één van de betrokken ondernemingen een marktaandeel van 25 % heeft op het Belgische deel van de betrokken markt, zonder dat de andere betrokken ondernemingen echt als concurrent of zelfs maar als potentiële concurrent in België kunnen worden beschouwd.Dergelijke interpretatieproblemen behoren wellicht tot de onvermijdelijke kinderziekten. Het is ook jammer dat de bij dezelfde wet ingestelde commissie voor de mededinging (waarin de sociale partners zitting hebben) niet actiever of althans zichtbaarder meewerkt aan het fijnslijpen van het systeem door interpretaties te suggereren of eventueel amenderingen voor te stellen.PROLIFERATIE.De grootste problemen ontstaan overigens niet wanneer een transactie een communautaire of Belgische dimensie heeft (of wanneer er twijfel bestaat over het marktaandeel op de betrokken markt in België). De proliferatie van concentratiecontroles in de lidstaten en de hoogte van de toepassingsdrempels voor het communautaire toezicht hebben ertoe geleid dat heel wat transnationale transacties in verschillende lidstaten aangemeld moeten worden.Het hoeft geen betoog dat de onderhandelingen voor een deal erg bemoeilijkt worden wanneer men ruimte moet voorzien voor verschillende aanmeldingsprocedures en rekening moet houden met de mogelijkheid dat die leiden tot tegenstrijdige beslissingen.VERLAGING.In het kader van een volgende herziening van de toepassingsdrempels onderzoekt de Europese Commissie nu hoe hieraan kan worden verholpen. Daarbij worden onder meer twee formules overwogen.Bij een verlaging van de toepassingsdrempels wordt het minder waarschijnlijk dat transnationale transacties geen communautaire dimensie hebben en dan in verschillende lidstaten moeten worden aangemeld. De Commissie heeft berekend dat de meeste grensoverschrijdende transacties binnen de bevoegdheidssfeer van de Commissie zouden vallen door een vermindering van de omzetdrempels tot 2 miljard ecu voor wereldwijde omzet en elk 100 miljoen ecu voor communautaire omzet. De Commissie zou dan 65 tot 80 bijkomende dossiers per jaar moeten behandelen (meer dan een verdubbeling).Volgens een andere benadering zou elke transactie, die in meer dan één lidstaat moet worden aangemeld, beschouwd worden als een transactie met een communautaire dimensie. Dit lijkt efficiënter en logischer. Het feit dat verschillende lidstaten zich bevoegd achten, is immers het beste bewijs dat een transactie een communautaire dimensie heeft.VOORSTELLEN.Voor het bedrijfsleven is het vooral belangrijk dat er een begin van oplossing komt. Alle betrokken instanties zouden dan ook moeten meewerken aan formules die nutteloze aanmeldingen vermijden en zeker het risico op parallelle aanmeldingen elimineren. Op communautair niveau neemt het debat wellicht nog dit jaar een beslissende wending ; de betrokken kringen die nog niet aan de communautaire consultatieronde deelnamen, hebben er dus alle belang bij hun voorstellen terzake zo vlug mogelijk kenbaar maken aan de Belgische overheid.JACQUES STEENBERGENDr. Jacques Steenbergen is advocaat-vennoot bij Loeff Claeys Verbeke en professor aan de KU-Leuven.