Sociologen zijn niet bepaald pro-business. Zij behoren tot de meest intense critici van bedrijven, de werking van markten of de zegeningen van de globale economie. Sociologen vertrekken vaak van een systematische beschrijving van de werkervaring van werknemers. Een van de meest invloedrijke beoefenaars van dit genre is Richard Sennett, die zowel aan de London School of Economics als aan MIT doceert. Al verschillende jaren interviewt hij de werknemers van de nieuwe economie. Zijn vertrekpunt is dus niet de leefwereld van arbeiders aan de band, maar de ervaringen van bankiers, informatici en andere hoogopge...

Sociologen zijn niet bepaald pro-business. Zij behoren tot de meest intense critici van bedrijven, de werking van markten of de zegeningen van de globale economie. Sociologen vertrekken vaak van een systematische beschrijving van de werkervaring van werknemers. Een van de meest invloedrijke beoefenaars van dit genre is Richard Sennett, die zowel aan de London School of Economics als aan MIT doceert. Al verschillende jaren interviewt hij de werknemers van de nieuwe economie. Zijn vertrekpunt is dus niet de leefwereld van arbeiders aan de band, maar de ervaringen van bankiers, informatici en andere hoogopgeleiden. In De cultuur van het nieuwe kapitalisme vat hij zijn inzichten samen van al dat ijverig veldwerk. Het plaatje is niet fraai. Vakmanschap, solidariteit, samenhorigheid hoort er niet meer bij. Ook bij hooggeschoolden overheerst de angst. De angst voor de volgende reorganisatie, voor outsourcing, voor dalende lonen. De managementgoeroes roepen in koor: kenniswerker, talent, dynamisch, flexibel. Weg met de bureaucratie! Sennett toont aan dat deze kreten de facto voor alle werknemers, ook de hooggeschoolden, neerkomen op permanente onzekerheid, een volkomen gebrek aan bescherming en geen respect voor wat werknemers hebben opgebouwd. Sennett ziet een parallel tussen wat er van de moderne werknemer wordt gevraagd en wat de moderne consument zoekt. Deze laatste wil continu nieuwe dingen hebben, ook al werkt het oude nog. De werknemer moet ook niet meer denken dat het bedrijf nog een geheugen heeft. De risico's die de belegger neemt op, bijvoorbeeld, de derivatenmarkt, moeten ook maar genomen worden door de werknemer. Niemand, ook niet de hooggeschoolden, mag nog zekerheid kennen. Een bepaald type werknemer past wel in de moderne hyperflexibele organisatie, waar je voortdurend wordt doorgelinkt van de ene job naar de andere. Deze werknemer verlangt niet naar langdurige relaties, maar is tevreden met steeds wisselende transacties. Het extreme voorbeeld zijn medewerkers in een callcenter. Deze werknemer verlangt niet naar vakmanschap. Wat hij opgebouwd heeft, heeft geen belang. Enkel telt wat hij nu kan, of de potentie die hij in zich draagt. Je kan het wat vergelijken met een voetballer die ook niet wordt getransfereerd, omdat hij vroeger veel scoorde. De moderne werknemer zou geen problemen mogen hebben om het verleden los te laten. Deze werknemer aanvaardt zonder meer dat de eigen positie elke dag in vraag gesteld kan worden. Sennett ontwaart ook antwoorden. Werknemers beginnen zich stilaan anders te organiseren. Niet de traditionele vakbonden verdedigen nog de belangen van de werknemer, maar marktgerichte arbeidsbureaus die werknemers wat meer continuïteit bieden. Uitzendbureaus vervullen reeds een rol in het smeren van de arbeidsmarkt. De tijden zouden niet ver af kunnen zijn of privéarbeidsbureaus trachten de factor werk te monopoliseren. Het mes van de wetten van de economie snijdt immers in de twee richtingen. Richard Sennett, De cultuur van het nieuwe kapitalisme. Meulenhoff, 160 blz. Marc Buelens