De bijdrage die een werkgever betaalt in de kosten van het woon-werkverkeer is onder bepaalde voorwaarden en binnen zekere perken vrijgesteld van belasting. Om te weten hoe hoog die vrijstelling is, moet men twee vragen beantwoorden: maakt men regelmatig gebruik van het openbaar vervoer? En doet men een beroep op het kostenforfait?
...

De bijdrage die een werkgever betaalt in de kosten van het woon-werkverkeer is onder bepaalde voorwaarden en binnen zekere perken vrijgesteld van belasting. Om te weten hoe hoog die vrijstelling is, moet men twee vragen beantwoorden: maakt men regelmatig gebruik van het openbaar vervoer? En doet men een beroep op het kostenforfait?Maakt men niet regelmatig gebruik van het openbaar vervoer en bewijst men werkelijke beroepskosten die hoger liggen dan het kostenforfait, dan is de bijdrage gewoon belastbaar. Doet men in dezelfde hypothese een beroep op het kostenforfait, dan wordt de bijdrage vrijgesteld van belasting voor 6000 frank (per jaar).Abonnement.Het verhaal wordt heel anders wanneer men regelmatig gebruik maakt van het openbaar vervoer. Voor de vrijstelling die men dan kan krijgen, heeft het geen enkel belang of men zijn werkelijke beroepskosten bewijst of opteert voor het kostenforfait. Dan hoeft men alleen nog te vragen of men wel of geen abonnement heeft op het openbaar vervoer. Heeft men geen abonnement, dan is de vrijstelling opnieuw beperkt tot 6000 frank per jaar. Heeft men wel een abonnement, dan is het volledige bedrag van de werkgeversbijdrage vrijgesteld van belasting. Weliswaar meldt de wet nog steeds dat de vrijstelling in deze laatste hypothese niet in alle gevallen volledig is. Maar de minister van Financiën kondigde onlangs aan dat de vrijstelling vanaf het aanslagjaar 2001 in ieder geval gelijk zal zijn aan de volledige werkgeversbijdrage voor de abonnementhouders. Zo staat het ook in de toelichting bij de aangifte.Incentive.Deze vrijstelling gold en geldt ook voor werknemers die hun werkelijke beroepskosten bewijzen. In de administratieve commentaar staat trouwens al vele jaren uitdrukkelijk te lezen dat ze hun werkelijke beroepskosten niet moeten verminderen met het vrijgestelde bedrag.Neem nu een werknemer die voor zijn verplaatsingen van en naar het werk een treinabonnement heeft dat hem 80.000 frank kost. De werkgever betaalt een bijdrage van 40.000 frank. Als deze werknemer zijn werkelijke beroepskosten bewijst, is die bijdrage belastingvrij, terwijl de werknemer ook het volledige bedrag van het abonnement (80.000 frank) onder zijn beroepskosten mag opnemen.Die regeling is logisch, als men ervan uitgaat dat de vrijstelling van de werkgeversbijdrage een incentive is om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Als de werkgeversbijdrage niet belastingvrij was, dan zou ze gewoon bij het belastbaar inkomen van de werknemer worden toegevoegd. Op zich is dat niet zo erg. Want tegenover dit belastbaar inkomen (van 40.000 frank in dit voorbeeld) staan 80.000 frank aftrekbare kosten. Dan krijgt men evenwel een gewone toepassing van de algemene fiscaliteit: men wordt belast op hetgeen men krijgt en men trekt af wat men aan kosten betaalt. Daar gaat geen aanmoediging vanuit. Die is er wel als men de werkgeversbijdrage geheel of gedeeltelijk vrijstelt van belasting, en tegelijk de volledige aftrekbaarheid van de kosten behoudt. Voorbij.De lectuur van het wetsontwerp in verband met de hervorming van de personenbelasting leert dat de tijd van dergelijke fiscale geschenken voorbij is. In de nieuwe regeling (vanaf aanslagjaar 2002) zal de werkgeversbijdrage in de kosten van het woon-werkverkeer alleen nog voor vrijstelling in aanmerking komen als de werknemer zijn werkelijke kosten niet bewijst. Gedaan dus met de combinatie van een vrijstelling én de aftrek van de werkelijke kosten die aan het openbaar vervoer zijn besteed.In ons voorbeeld zal het abonnementsgeld van 80.000 frank nog altijd als werkelijke beroepskost in aftrek gebracht kunnen worden, maar daar staat tegenover dat de bijdrage (van 40.000 frank) aan het belastbaar inkomen zal worden toegevoegd. In de veronderstelling dat de werknemer een inkomen heeft waarvan de top tegen ongeveer 50% wordt belast, geeft dit een bijkomende belasting van ongeveer 20.000 frank. Van een incentive voor het gebruik van het openbaar vervoer blijft niets over. De enige troost is dat automobilisten er nog veel erger aan toe zijn. Wanneer zij hun werkelijke kosten bewijzen, is de werkgeversbijdrage in het woon-werkverkeer ook vandaag al volledig belastbaar, terwijl zij nooit het volledige bedrag van hun werkelijk gemaakte autokosten in aftrek kunnen brengen, maar slechts een fractie daarvan. Voor de autokosten van het woon-werkverkeer is de aftrek beperkt tot 6 frank per kilometer.Gebruikers van het openbaar vervoer die hun werkelijke kosten bewijzen, gaan er dus fors op achteruit. Zij kunnen de vrijstelling van de werkgeversijdrage slechts behouden als zij afstand doen van het bewijs van hun werkelijke kosten en toetreden tot het gelid van de - voor de administratie veel eenvoudiger te controleren - belastingplichtigen die een beroep doen op het kostenforfait.De auteur is advocaat bij Dauginet & co. en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck