Wie een hypothecaire lening aangaat om zijn 'enige eigen woning' te verwerven of te behouden, heeft nu recht op de fiscale 'aftrek voor de enige eigen woning'. Die is - onder voorbehoud van een overgangsregeling - in de plaats gekomen van de oude 'bijkomende interestaftrek' en van de belastingvermindering van het 'bouwsparen'.
...

Wie een hypothecaire lening aangaat om zijn 'enige eigen woning' te verwerven of te behouden, heeft nu recht op de fiscale 'aftrek voor de enige eigen woning'. Die is - onder voorbehoud van een overgangsregeling - in de plaats gekomen van de oude 'bijkomende interestaftrek' en van de belastingvermindering van het 'bouwsparen'. Het basisbedrag van de aftrek is geplafonneerd op (een nog te indexeren) 1500 euro per jaar. Voor het aanslagjaar 2007 (inkomstenjaar 2006) gaat het om (na indexaanpassing) 1920 euro. Gedurende de eerste tien jaar van de lening wordt dat basisbedrag nog verhoogd met (een nog te indexeren) 500 euro per jaar (640 euro voor het aanslagjaar 2007). Die verhoging wordt op haar beurt nog eens verhoogd met (een eveneens nog te indexeren) 50 euro per jaar (60 euro voor het aanslagjaar 2007). Die verhoging geldt op voorwaarde dat de belastingplichtige ten minste drie kinderen fiscaal ten laste heeft op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin het leningcontract is afgesloten. Gehandicapte kinderen worden daarbij voor twee geteld. Wie in 2006 een hypothecaire lening aangaat voor het verwerven of behouden van zijn 'enige eigen woning' en op 1 januari 2007 ten minste drie kinderen ten laste heeft, heeft dus voor het aanslagjaar 2007 recht op een aftrek van in totaal maximaal (1920 + 640 + 60) 2620 euro. De verhogingen - ook die wegens het ten laste hebben van ten minste drie kinderen - gelden gedurende tien jaar. Ze gaan verloren vanaf het belastbaar tijdperk waarin de woning niet langer de 'enige' woning van de belastingplichtige is. Vanaf dat jaar heeft men nog slechts recht op het basisbedrag van de aftrek. Beoordeling. De beoordeling of men ten minste drie kinderen ten laste heeft, gebeurt op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de lening afgesloten is. Latere evoluties in het aantal kinderen ten laste hebben geen enkele invloed meer. Stel dat iemand in de loop van 2006 een hypothecaire lening afsluit, en hij op 1 januari 2007 slechts twee kinderen ten laste heeft. Hij blijft dan verstoken van de bijzondere verhoging (wegens ten minste drie kinderen ten laste). Het feit dat nummer drie enkele dagen later geboren wordt, kan geen rechten meer openen op de bijzondere verhoging. Omgekeerd, stel dat dezelfde persoon op 1 januari 2007 drie kinderen ten laste heeft. Hij heeft dan gedurende de eerste tien jaar van de lening recht op de bijzondere verhoging wegens kinderlast. Het feit dat een van die kinderen in de loop van die periode zijn statuut van persoon ten laste verliest, heeft geen enkel belang. Eens ze verworven is, blijft de bijzondere verhoging (wegens kinderlast) gedurende tien jaar lopen. Tenzij de woning vanaf een bepaald ogenblik niet langer de 'enige' woning van de belastingplichtige is (zie hoger). Echtgenoten en wettelijk samenwonenden hebben elk afzonderlijk recht op de aftrek voor de 'enige eigen woning' (voor zover beide aan de toepassingsvoorwaarden voldoen). Hetzelfde geldt in hoofde van feitelijk samenwonenden. Twee keer. Wat als een echtpaar drie kinderen ten laste heeft? Wil dat zeggen dat elk van beide echtgenoten gedurende de eerste tien jaar recht heeft op de bijzondere verhoging (van de nog te indexeren 50 euro per jaar)? Begin 2005 liet de fiscus weten dat dit inderdaad het geval is. Idem in hoofde van wettelijk samenwonenden die ten minste drie kinderen ten laste hebben. Althans, zo liet de administratie onlangs weten, op voorwaarde dat de echtgenoten of wettelijk samenwonenden voor het betrokken jaar het voorwerp uitmaken van een gezamenlijke aanslag. 'Feitelijk' samenwonenden met ten minste drie kinderen ten laste hebben volgens de fiscus slechts één keer recht op de bijzondere verhoging. Vanwaar het verschil? De wettekst laat in een letterlijke lezing blijkbaar toe te besluiten dat echtgenoten en wettelijk samenwonenden wel twee keer het voordeel kunnen genieten, terwijl 'feitelijk' samenwonenden genoegen moeten nemen met één keer de bijzondere verhoging. Dezelfde letterlijke lezing heeft wel tot gevolg dat echtgenoten en wettelijk samenwonenden het lot van de 'feitelijk' samenwonenden delen, wanneer zij voor het jaar waarin de lening wordt aangegaan niet samen, maar wel afzonderlijk worden belast. Dat is bijvoorbeeld het geval voor het jaar waarin men trouwt. De echtgenoten worden voor het jaar van hun huwelijk afzonderlijk belast. Dat wil zeggen dat zij voor dat jaar als alleenstaanden worden beschouwd. Hun toestand is voor dat jaar dezelfde als die van 'feitelijk samenwonenden'. Wie trouwplannen heeft en in het jaar van zijn huwelijk een hypothecaire lening aangaat voor het verwerven of behouden van de 'enige eigen woning', kan dus slechts één keer aanspraak maken op de bijzondere verhoging. Meestal zal dat geen probleem zijn. Jonggehuwden hebben doorgaans nog geen drie kinderen ten laste. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. Jan Van Dyck