Nu in de voormalige Sovjet-Unie de concurrentiële scheeftrekkingen van de centraal geplande economie zijn verwijderd, zou men een verhoging van de productie verwachten, te meer omdat normalerwijze ruimte moet zijn vrijgekomen voor nieuwe activiteiten.
...

Nu in de voormalige Sovjet-Unie de concurrentiële scheeftrekkingen van de centraal geplande economie zijn verwijderd, zou men een verhoging van de productie verwachten, te meer omdat normalerwijze ruimte moet zijn vrijgekomen voor nieuwe activiteiten.Het bruto binnenlands product (BBP) van de ex-sovjetstaten is tussen 1989 en 1994 evenwel gedaald met 35% (gecorrigeerd voor de groei van de zwarte economie). Olivier Blanchard en Michael Kremer wijten dit aan desorganisatie. Centraal geleide economieën worden gekenmerkt door speciale relaties: bedrijven hebben slechts één leverancier van grondstoffen en één koper van hun producten. Dat geeft aanleiding tot het sluiten van akkoordjes, met inefficiëntie en outputverlies tot gevolg. Die effecten konden - in zekere mate - binnen de perken worden gehouden door de centrale planner die de effectieve aanmaak en levering van de goederen afdwong. In het Westen daarentegen zijn er vele leveranciers en kopers, of kunnen inefficiënte akkoordjes worden vermeden door verticale integratie, contracten enzovoort. Deze westerse mechanismen konden echter niet meteen bij de transitie worden geïmplementeerd in de ex-sovjetstaten: nieuwe leveranciers en kopers komen niet zomaar uit de lucht gevallen. Bovendien hebben contracten weinig betekenis als zoveel bedrijven zo goed als bankroet zijn.Het resultaat is een ineenstorting van het netwerk van economische relaties en productieketens in de ex-USRR. Dat verklaart bijvoorbeeld waarom, ondanks de liberalisering van de prijzen, bedrijven nog altijd tekorten hebben aan inputs en grondstoffen. Bedrijven verliezen cruciale arbeiders en kaderleden - hun enige hoop op overleving.Blanchard en Kremer tonen aan dat de output minder sterk is gedaald in Centraal-Europa in vergelijking met de rest van de ex-Sovjet-Unie, waar vooral de sectoren met complexe productieprocessen zwaar te lijden hadden.Interessant is hoe de output van China tijdens de transitie is gestegen. Dat komt volgens de auteurs door China's lager niveau van industriële ontwikkeling en Mao's politiek van decentralisatie en kleine bedrijven, zodat de economie van dit land van bij de aanvang minder complex was, en dus minder onderhevig aan desorganisatie. Bovendien hield de Chinese regering de touwtjes in handen en werd het centraal geplande systeem niet volledig vervangen. En China's engagement om staatsbedrijven in stand te houden - desnoods met subsidies - heeft de tijdshorizon verlengd. Dat liet langetermijnrelaties toe tussen staatsbedrijven en hun leveranciers, waardoor de ineenstorting van de overheidseconomie werd vermeden. Dit pleit enigszins voor een graduele overgang naar de vrije markt, waarbij het bestaande productienetwerk nog een tijd blijft bestaan. Maar de auteurs waarschuwen dat de nodige subsidies daartoe de aanpassing van de staatsbedrijven vertragen en de groei van privé-bedrijven belemmeren (door de nood aan belastingen). Zij besluiten met de volgende zin: the only way to stop subsidies, is to stop them at once. Olivier Blanchard and Michael Kremer, "Disorganization", The Quarterly Journal of Economics, November 1997.