Als voorpublicatie koos Trends het hoofdstuk vijf van Eppinks geesteskind: de geliefde van de weduwen. De volgende tekst is een verkorte versie van het hoofdstuk, waar tussentitels aan zijn toegevoegd. De weggelaten delen zijn vervangen door (...).
...

Als voorpublicatie koos Trends het hoofdstuk vijf van Eppinks geesteskind: de geliefde van de weduwen. De volgende tekst is een verkorte versie van het hoofdstuk, waar tussentitels aan zijn toegevoegd. De weggelaten delen zijn vervangen door (...). Eppink neemt ons mee door de meanders van de Europese besluitvorming. Hij geeft aan waar de wolfijzers en schietgeweren liggen. Zijn ervaring met het Europese beslissingsproces loopt opmerkelijk genoeg via de Belgische politiek. Die passages in het boek zijn een bewijs te meer dat netwerking loont. De auteur kon danig gebruikmaken van de contacten die hij had gelegd toen hij als journalist de Belgische politiek volgde. 'Zeg, hoe zullen we dat varkentje eens wassen?', vroeg de commissaris me in de dienstauto op weg naar Straatsburg voor de plenaire zitting van het Europees parlement. In de autorit van vier uur kon je veel lezen en wat bijpraten. De commissaris las meestal en gooide zo af en toe een balletje op. Met dat varkentje bedoelde hij de liberalisering van de Europese postmarkt. 'Ik heb geen idee', zei ik. 'Ik ben de laatste tien jaar niet meer in een postkantoor geweest.' Dat was een eerlijk antwoord, want ik gooide mijn post op de stapel van het bakje 'uit' bij de krant en verzond vrijwel geen brieven meer door de opkomst van internet. Waarom zou ik dan gaan wachten in een rij in het postkantoor? (...) Het DG Telecommunicatie had intussen de postafdeling afgestoten en overgedragen aan het DG Interne Markt. Bij Telecommunicatie, een groeiende sector met mooie mobieltjes, glinsterende managers en wulpse vrouwen, hadden ze hun buik vol van die oude tante Post die maar bleef drammen. Weg ermee! Ik zocht in het DG de overgehevelde postafdeling en trof tot mijn schrik slechts één Spanjaard aan, een man van klein postuur met baard. (...) Zonder gespecialiseerde afdeling hadden we niet de technische kennis in huis om een nieuwe richtlijn te maken met een begeleidend document dat het voorstel staafde met cijfers van economische, financiële en technologische ontwikkelingen in de sector. Alle lidstaten hadden een ministerie voor posterijen met honderden ambtenaren. Bij de Prinses, die het voorstel moest maken, was er maar één overgebleven. (...) De commissaris gaf opdracht voor directe actie. Via de kabinetschef volgde er een instructie aan de directeur-generaal: zo snel mogelijk een postafdeling opzetten. Dat was lastig, want de mandarijnen die de gespecialiseerde kennis hadden, waren op posterijen afgeknapt. Bij anderen was er geen enkele animo. Post was niet sexy. De directeur-generaal besloot dan maar in arren moede gedetacheerde experts van nationale postbedrijven te vragen enkele jaren bij de Commissie te komen werken. In bureaucratisch opzicht is dat een zwaktebod, want de postbedrijven sturen een expert die tijdelijk werkt bij de Commissie, maar die wordt verondersteld het moederbedrijf op de hoogte te houden over de plannen van de Commissie. Dat kon eventueel daarna worden beloond met een promotie in het bedrijf. De experts hadden een gekruiste loyaliteit. Ze werkten voor de Prinses, maar slechts tijdelijk. Hun moederbedrijf lokte met beloning in ruil voor informatie. We kochten expertise in, maar liepen een groot risico op permanente lekken. Dat laatste gebeurde dan ook. De uitstekende Britse expert van Royal Mail die zeer loyaal meewerkte, werd zelfs al na een jaar door het moederbedrijf teruggeroepen omdat hij niet lekte. Het moederbedrijf had kennelijk niets aan medewerkers die de Europese loyaliteit al te letterlijk namen. De postsector bleek uitstekend op de hoogte van de plannen die de Commissie smeedde: er kwam een stroom lobbyisten op gang. Ze probeerden het voorstel te beïnvloeden, zelfs toen er überhaupt nog geen voorstel was. Het vormen van de postafdeling duurde immers maanden, omdat nieuwe ambtenaren moesten worden aangetrokken. De kern van het verzet was Frankrijk. Op een dag kreeg ik bezoek van een zekere monsieur Dayan met een kleine delegatie. Hij stelde zich voor als vertegenwoordiger van La Poste, het Franse postbedrijf. Ik nodigde hem uit in de kantoorruimte waar doorgaans het kabinet samenkwam. Hij was een oudere man, klein van stuk en gekleed in een grijs pak. Hij had een donkere boekentas bij zich, vol met documenten. Dayan ging zitten, nam het woord en stond het niet meer af. Ik kreeg een hoorcollege posterijen waarbij hij vertelde wat er moest gebeuren en vooral wat er niet moest gebeuren: liberalisering van de posterijen. (...) Het was een ontluisterende vergadering; eigenlijk had ik een uur tegen de zelfverklaarde wijsvinger van de Franse natie aangekeken. Liberaliseren was niet alleen een economisch recept, het was een aanval op de Franse ziel. (...) Ik besloot mijn voelhorens maar eens uit te steken bij andere kabinetten en maakte een ronde koffie- en theebezoeken, te beginnen bij de kern van het verzet: de Fransen. Eén Frans kabinet was totaal tegen, met het andere viel nog te praten. Na een vergadering sprak ik af met een zekere Benoît, een jongen die een beetje leek op Kuifje. Hij was ook een van de weinige mandarijnen die op een step naar het werk kwam. Maar hij was uiterst slim en welbespraakt. En natuurlijk een voormalige student van de École Nationale d'Administration en een verleden als Inspecteur de Finance. Ik wist niet precies wat die functie voorstelde, maar herinnerde me uit Franse films dat een inspecteur een belangrijk ambtsdrager is, de cavalerist van de staat. Hij kende het dossier uitmuntend. Ik merkte dat Dayan alle kabinetten al had bezocht, en uiteraard de Fransen als eerste. Ik tastte eens af wat Benoît ervan dacht. 'We moeten toch de draad weer eens oppakken met die posterijen. In de vorige Commissie is dat grondig misgelopen', zei ik als een soort algemene inleiding. Ik speelde een beetje de onnozele hals die nu eenmaal met een vergiftigd dossier opgescheept zat en om raad vroeg. Ik hoopte dat hij tenminste iets zou willen doen voor de pseudo-onschuldige Nederlander. Liberalisering van de telecommunicatie was in de jaren negentig een groot succes. Zelfs de socialisten waren enthousiast. Maar posterijen, een markt in Europa van ongeveer 90 miljard euro, lagen moeilijker. Tijdens de Commissie van Jacques Delors werd er, begin jaren negentig, een heel bescheiden begin gemaakt. Er kwam een postrichtlijn, maar het monopolie bleef groot. Nieuwe bedrijven kregen weinig ruimte en konden zich alleen toeleggen op expresdiensten. Veel postbedrijven hadden te veel personeel. In lidstaten zoals Frankrijk, Italië, België en Spanje zorgden politici ervoor dat in tijden van werkloosheid hun aanhangers alsnog een baan bij de post of de spoorwegen konden krijgen. Het was een manier om hun clientèle te onderhouden en de vakbonden zorgden ervoor dat ze niet ontslagen konden worden. Zo dikte het personeelsbestand van de postbedrijven aan. In veel landen waren ze een politieke macht om rekening mee te houden. Benoît was meteen duidelijk: 'Ik kan een geleidelijke verlaging van het monopolie naar bijvoorbeeld 100 gram steunen. Maar een datum voor volledige liberalisering is onaanvaardbaar. Het is een non-starter.' Zijn lijn was het maximaal haalbare in Frankrijk, waar liberalisering een vies woord is, zoiets als criminaliteit. Een liberaal staat in Frankrijk op gelijke voet met een pedofiel en wordt gezien als een ongekende pervert. In Frankrijk steunde maar één organisatie de liberalisering van de posterijen: de werkgevers. Zij werden direct veroordeeld door de minister voor hun 'onrepublikeinse houding'. Kortom: ze waren landverraders, erger dan generaal Pétain. (...) Aanvankelijk was ik ook voor een big bang. Ook de commissaris was vanuit een politieke reflex voorstander. Maar ik kreeg na mijn koffie- en theeronde twijfels die werden bevestigd door de kabinetschef. Hij zei: 'Als de Fransen het niet willen, gaat het je niet lukken. Dan krijg je het nooit door de Commissie.' Weer had hij gelijk. Franse mandarijnen zouden zich verzetten, op welk departement ze ook zaten. De belangrijkste mandarijn was de directeur-generaal van de Juridische Dienst. Als de Juridische Dienst een voorstel afkeurde, was het dood. De directeur-generaal van de Juridische Dienst was sinds mensenheugenis een Fransman. Een voorstel kon dus in de Europese mandarijnenwereld een messteek in het hart krijgen vanachter het gordijn door een Franse assassin de couloir. Het is niet verwonderlijk dat Frankrijk de functie van directeur-generaal van de Juridische Dienst altijd opeist. Met moeite kon ik de commissaris overtuigen dat een big bang niet zou lukken. 'Er is geen meerderheid te vinden. We beleven ons Waterloo als we het toch proberen', zei ik enigszins gepassioneerd. Het was mijn portefeuille en een mislukking zou op mijn bord komen, wellicht tot groot vermaak van andere mandarijnen. (...) Onderhandelen is niet het eindeloos repeteren van het grote gelijk met dezelfde argumenten, het is eerder een fluïde proces. Als de druk hoog genoeg is, wordt alles vloeibaar en dan moet je bewegen. Ik speelde een rol waarin ik psychologisch verwoordde dat ik sommige argumenten van Benoît begreep. 'Ik heb geluisterd en veel geleerd en ook begrepen. We moeten allemaal een beetje flexibel zijn en consensus zoeken', zei ik, 'dat is de psyche van de Commissie. ' Daarna begon ik te schuiven met de gewichten en het tijdpad. In mijn voorstel daalden ze snel van 350 naar 50 gram, maar ik deed een concessie. De route naar 50 gram zou niet in vier jaar maar in zes jaar worden afgelegd. Benoît begon ook te schuiven. Hij eiste dat reclamepost, die hij junk mail noemde, onder hetzelfde gewichtregime zou vallen. Ik gaf dit toe, want ik had het als wisselgeld ingebouwd. Ik werd vergezeld door de experts van het DG, die achter me zaten. Ze begonnen bijna te gillen als een mager varken toen ik concessies deed. 'Niet doen, niet doen', riep de een. 'Het is een valstrik.' De ander prikte me in de rug en weer een ander begon in mijn oor te fluisteren. Ik voelde dat ze de concessies een verraad van hun dossier vonden, maar politiek was er geen andere weg. Benoît legde zijn voorstel op tafel. Ik antwoordde dat overleg met de commissaris noodzakelijk was. We zouden de volgende dag weer bijeenkomen. De commissaris was aanvankelijk niet erg opgetogen over de concessies. Hij was meer de Angelsaksische aanpak van hard, direct onderhandelen gewend, zoals Amerikanen doen. Maar in het Europa van de Prinses werkt dat niet: je moet schuiven en schipperen. De snelste weg is de omweg. De kabinetschef steunde me. Hij kende het dossier en wist welke gevaren loerden als de Fransen eensgezind tegen bleven. Ik was overtuigd dat een deal zou werken, ook omdat ik Benoît vertrouwde. 'Als we het voorstel van die Fransman aanvaarden, splitsen we het afwijzingsfront. De kabinetten die ons steunden, blijven ons steunen, want ze hebben liever iets dan niets. Die Fransman trekt zeker tien gematigde kabinetten mee. Dan is het afwijzingsfront met ongeveer zes in de minderheid.' De volgende dag kon ik de special chef melden dat ik namens de commissaris het compromis van Benoît kon aanvaarden. Hij bedankte mij voor de capacité d'écoute. Het kabinetslid van de voorzitter knikte instemmend en drukte het compromis erdoor. Zes kabinetten bleven tegen. In plaats van de aanvankelijk 3-17 tegen was het nu 14-6 voor. (...) De uiteindelijke aanvaarding van het postvoorstel in de Commissie was het eerste succes voor de commissaris en we vierden het 's avonds met een borrel in zijn kantoor. (...) Een uur na de goedkeuring van het voorstel in het College van Commissarissen vuurde het Europees parlement echter een waarschuwingsschot af. 'Die commissaris is een fundamentalist; hij is de Hezbollah van de liberalisering', liet parlementslid Brian Simpson in een persverklaring weten. (...) Hoewel we de gewenste rapporteur hadden, werd de parlementaire behandeling een drama. Parlementsleden liepen te hoop tegen het voorstel alsof het een kaakslag was. Simpson begon steun te zoeken, niet alleen aan de politieke linkerzijde, maar ook aan de rechterzijde. Veel conservatieve en christendemocratische afgevaardigden uit landelijke gebieden stonden eveneens huiverig tegenover liberalisering. Zij kenden de postbode ook als geliefde van de weduwen. (...) Simpson, die meerderheden tegen liberalisering behaalde in de bevoegde commissie, vormde een afwijzingsfront met socialisten, communisten, trotskisten, conservatieven, christendemocraten en nationalisten. Hij haalde de Beierse rapporteur volledig onderuit. De rapporteur werd gewoon overstemd. Er bleef niets van het commissievoorstel over. Integendeel, de bestaande liberalisering van de voorbije tien jaar werd zowaar nog teruggedrongen. De plenaire behandeling van het voorstel in het grote halfrond van het Europees parlement in Straatsburg beloofde niets goeds. (...) Bij de lidstaten zag het er in ieder geval beter uit dan in het Europees parlement. Veel ministers van Financiën wilden de nationale postbedrijven afstoten omdat ze verliezen leden die de overheid moest vergoeden. In feite hadden ze bijna allemaal te veel personeel. Liberalisering vanuit Europa zou postbedrijven dwingen het mes te zetten in inefficiënte structuren. Dan konden de ministers van Financiën en premiers hun handen wassen in onschuld. Europa was dan de bloedhond. De eerste poging tot een akkoord in de Raad van Ministers mislukte. Frankrijk was Europees voorzitter en de Fransen wilden wel een akkoord maar op een zeer laag niveau. Na een dag onderhandelen in het Raadsgebouw in Brussel kwam er niets uit de bus. Het was ook kort voor kerst en veel ministers wilden 's middag naar huis om kerstboodschappen te doen. Het tijdstip was dus niet goed. Wel viel het me op dat er in de Raad niet alleen landen tegen liberalisering waren, maar ook een vrij groot aantal voor. Met die groep konden we verder. De beste kans op een akkoord tussen de ministers diende zich aan onder het Belgische voorzitterschap. Dat was voor mij een thuiswedstrijd. Ik kende de Belgen goed en de minister van Posterijen was een persoonlijke vriend. Ik had hem dikwijls geholpen bij de druivenoogst van zijn familiebedrijf, dat wijn produceerde bij Aarschot. Ik kende zijn familie, we gingen geregeld tafelen en zaten samen op café in gezelschap van mooie vrouwen, een specialiteit van de minister. Hij was bovendien op zoek naar een succes. Het dreigende faillissement van Sabena hing als een zwaard van Damocles boven zijn hoofd. De neergang van de Belgische luchtvaartmaatschappij leek onafwendbaar. Een Europees succesje op het gebied van posterijen zou de pijn wat kunnen verlichten. Tegelijk probeerde ik wat meer steun te krijgen bij maatschappelijke organisaties. Veel beroepsgroepen en organisaties voerden een lobby tegen liberalisering, terwijl voorstanders zich niet lieten horen. We hadden een organisatie van consumenten of burgers nodig die onze plannen zou toejuichen. Op een dag kreeg de commissaris bezoek van een Belgische senator die zich in zijn parlement verveelde. Dat verbaasde me niet: de Belgische senaat noemt zich een reflectiekamer, maar is in werkelijkheid een slaapkamer. Behalve eten, drinken en slapen hadden de senatoren niets te doen. 'Ik wil iets op Europees vlak betekenen', zei de senator, een voormalige zakenman, in een gesprek in het kantoor van de commissaris. Hij wilde aan de slag; na twee jaar reflectiekamer leek hij ongeduldig. 'Hoe kan ik u helpen met de liberalisering van de post?', vroeg hij. Het was de eerste keer dat ik zo'n vraag hoorde. 'Kan ik misschien een organisatie oprichten die u helpt?' Dat klonk me als muziek in de oren. De senator wilde een platform oprichten van organisaties die zouden pleiten voor liberalisering. Hij zou zelf artikelen in kranten schrijven om de commissaris te steunen. Ook stelde hij twee medewerkers aan, een Fransman en een Zweed, die aan het postfront actief zouden zijn. Aldus geschiedde. De twee medewerkers van het platform kwamen geregeld op mijn bureau om me te informeren en ik gaf hun een speciaal doel. 'Jullie moeten goed in de gaten houden wat de tegenstanders van liberalisering uitspoken. Achterhaal vooral waar Dayan mee bezig is en probeer, waar mogelijk, hem te destabiliseren via wettige middelen. Dus niet inbreken', voegde ik eraan toe want ik wilde geen Watergatetoestanden. De beide jongens gingen enthousiast aan het werk. Een van hen noemde ik special agent Mulder, naar het hoofdpersonage uit de televisieserie The X-files. Postliberalisering was zo langzamerhand ook een X-file geworden. Op een ochtend kwam special agent Mulder onverwachts naar mijn bureau en keek me ernstig aan. 'Ik heb nieuws', zei hij. ' Monsieur Dayan is volop bezig in België. Hij gaat het Belgische parlement bewerken.' Ik hoorde de alarmklokken luiden. Deze kleine, doortrapte Fransman probeerde de handen van de Belgische minister van Posterijen, mijn persoonlijke vriend, op Europees vlak te binden via een resolutie van het Belgische parlement. Ik greep de telefoon en kon maar één man bellen, de voorzitter van het Belgische parlement en eerste burger van het land: Herman De Croo. Een opgewekte De Croo kwam direct aan de telefoon. Toen ik nog als journalist werkte in de Belgische politiek, kenden we elkaar goed. Hij is een kleurrijk politicus met een stevige politieke basis, die hij met voorkeurstemmen verwierf in de liberale partij. De Croo steunde de dorpelingen in zijn regio en had intussen een bestand van 70.000 dossiers van mensen die hij aan werk of een vergunning had geholpen. Uit dankbaarheid stemden die mensen dan weer op hem. Ooit bezocht ik hem in zijn Vlaamse regio, waar hij als herenboer de landerijen te paard inspecteerde, de dorpelingen minzaam groetend. Ik vergezelde hem te paard, maar bleek duidelijk een minder bekwame ruiter. 'Waarde vriend, wat is het probleem?', vroeg De Croo me spontaan. Ik informeerde hem over het postdossier en de machinaties van Dayan in het Belgische parlement. De Fransman had kennelijk een Waalse socialiste bereid gevonden om een resolutie in te dienen die het Franse standpunt steunde. 'Ik ga dit onmiddellijk uitzoeken. Dat moet in de commissie Infrastructuur zijn. Mijn waarde, ik ken die dame. Dat is een pasionaria.' Ik had het volste vertrouwen in De Croo, die al veertig jaar in het parlement zat. Hij wilde het record breken van de Vlaamse socialist Camille Huysmans, die op zijn vierennegentigste nog parlementsvoorzitter was. Zijn partij wilde hem toen vervangen, maar uit woede verliet Huysmans de partij, richtte een eigen lijst op en maakte een politieke comeback. De Croo kende het reglement van het parlement als geen ander en kon dat als voorzitter uitstekend manipuleren. Hij is een liberaal met zo veel jezuïetenstreken dat zelfs de paters jezuïeten beschaamd zouden worden. Ik belde intussen de voorzitter van de commissie Infrastructuur, een lid van het Vlaams Blok. Ik kende de man uit mijn journalistieke tijd en had hem eens bezocht in Gent. Een typische Vlaamse nationalist uit de oude doos, met baard, trouw aan de Vlaamse leeuwenvlag, een vat bier binnen handbereik. Het parlement was volgens de reglementen verplicht een lid van de fractie van het Vlaams Blok het voorzitterschap van een commissie te geven. De Croo gaf hem Infrastructuur, in de hoop dat hij geen schade zou aanrichten. Het parlementslid van het Vlaams Blok was uitermate vereerd met mijn telefoontje. Ineens kon hij een politieke rol spelen. 'Ik vind dat de commissaris de kans moet krijgen uw parlementaire commissie toe te spreken en zijn verhaal te doen', stelde ik voor. De Vlaams Blokker ging meteen akkoord: 'Ik zet het op de agenda.' Daarna belde ik met mij bekende Vlaamse liberalen en christendemocraten om ze te wijzen op het gevaar van de Franstalige socialistische fractie. 'Er dreigt een politieke manoeuvre uit Wallonië', zei ik. Ze veerden op en beloofden me te steunen. De Croo liet me weten dat er een datum was voor de vergadering, maar hij had een speciaal verzoek. 'Voor de vergadering komen u en de commissaris even bij mij op bezoek. We drinken een glaasje en ik vertel u hoe we het aanpakken.' Toen de commissaris en ik op de dag van de afspraak arriveerden bij de 'ingang van de voorzitter' van het Belgische parlement stond er een rij militairen die een erewacht vormden. Zij salueerden op het moment dat de commissaris uitstapte en naar de ingang liep. Daar stond De Croo, met naast hem een fotograaf, en verwelkomde ons. Hij leidde ons naar een speciaal zaaltje, ingericht met koninklijke allure en voorzien van Louis XIV-meubelen. Heerlijke glaasjes champagne stonden klaar. 'Ik heb de betrokken dame van de Franstalige socialisten even bij me geroepen', zei De Croo. 'Ik weet dat zij de ambitie heeft om quaestor te worden van dit parlement, zoals u weet een speciale functie met extra beloning. Ik heb haar er uiteraard even op gewezen dat zij met die ambitie niet tegen de Europese Commissie kan ingaan. Wij Belgen zijn de beste Europeanen', lachte De Croo. 'En ze antwoordde dat ze me begreep.' De Kamervoorzitter kwam niet mee naar de vergadering. Dat was ook niet nodig, want hij had alles al geregeld. (...) Ik bleef in nauw contact met het kabinet van de Belgische postminister. Hij had twee jeugdige medewerkers die vol enthousiasme aan het dossier werkten. Bovendien vond ik dat ze wel wat ondersteuning verdienden, bij voorkeur van mij. In oktober zouden de Europese postministers vergaderen in Luxemburg en daar moest de knoop worden doorgehakt. Maar welk compromis zou België op tafel leggen? Er waren twee gevaren: de Fransen en de Belgische regering. Ik belde nog eens met Benoît om te weten waar de uiterste grens van de Franse minister zou liggen. Hij kende die uiteraard. De Fransen zouden akkoord gaan met een verlaging van het gewicht naar 50 gram in vijf jaar. Maar, zoals ik verwachtte, kwam er geen einddatum voor volledige liberalisering. De Belgische regering zat tot de nek in het Sabena-dossier, voor mij een geluk bij een ongeluk. De socialistische ministers hadden geen oog voor het postdossier en lieten de liberale minister - in de praktijk zijn kabinet - zijn gang gaan. Op dat kabinet vertoefde ik intussen regelmatig. De vrijdagavond voorafgaande aan de vergadering van Europese postministers in Luxemburg moest het Belgisch compromisvoorstel op tafel liggen. Ik raadde de minister aan niets te zeggen tegen de leden van het Belgische kernkabinet met vicepremiers. Die zouden alleen maar moeilijkheden maken en de premier zou in een vlaag van verstandsverbijstering chaos veroorzaken. Het credo van de Europese mandarijn is: wat niet weet, wat niet deert. Vrijdagmiddag verzonden we de tekst, waarvoor ik een ontwerp had meegenomen, afgestemd op de uiterste positie van de Fransen. De gewichten zouden in vijf jaar naar 50 gram zakken, waarna er een studie zou komen over de impact van liberalisering op de verplichte universele dienstverlening. Daarna kon de Commissie 2009 voorstellen als mogelijke einddatum voor volledige liberalisering van de postmarkt. Zo werd 2009 geen wettelijk verplichte einddatum, maar wel een doeldatum. Die tekst vertrok naar de Raad van Ministers en is uiteindelijk in de richtlijn gekomen. De redenering was de volgende. Liberalisering kan niet van vandaag op morgen via een big bang, maar moet een geleidelijk proces zijn dat ongeveer tien jaar duurt. De markten voor luchtvaart, vervoer, telecommunicatie, elektriciteit en gas werden in een proces van tien jaar geopend. Bij posterijen zou dat wat langer duren, omdat de bedrijfstak wordt gekenmerkt door manuele arbeid (vakbonden) en politieke rollen (partijen). Als de locomotief eenmaal vaart zou krijgen, zou er vanzelf een moment voor liberalisering ontstaan. De doeldatum 2009 diende als psychologische horizon voor de postbedrijven. Ze begonnen zich voor te bereiden op een vrije markt, maakten hun postbedrijf rendabel en zochten niches in de markt. Postbedrijven bleven geen oude tante Post, maar werden in dat proces logistieke en communicatiebedrijven. Sommige zouden globale bedrijven worden, die concurreerden in Azië en Amerika. Het enige wat de Commissie voor 2007 moest doen, was de doeldatum 2009 omzetten in een wettelijke einddatum via een nieuw voorstel. Het tijdvak van vijf jaar gaf politieke speling voor de onderhandelaars. Tijdens de Raad van Europese postministers in Luxemburg was de Belgische minister enthousiaster. Sabena was intussen ter ziele en post zou zijn eerste succes zijn. De Duitsers zouden ons steunen en de Franse minister, die een jaar tevoren nog oorlogstaal uit Parijs had laten horen, zou dat knarsetandend ook doen. De Britse positie bleef een raadsel. De Belgische minister riep voorafgaande aan de plenaire vergadering alleen de postministers van de drie grote landen bij zich én de commissaris. Het Belgische compromis lag op tafel. De Duitser had verder willen gaan met een einddatum, maar stemde in met een doeldatum. De Franse minister vond het voorstel te ver gaan, maar omdat er geen einddatum genoemd werd, plooide hij. Tot mijn geluk ging de Britse minister akkoord, want Groot-Brittannië wilde niet de spelbreker voor geleidelijke liberalisering zijn. Bovendien was zijn premier een jaar eerder de grote gangmaker achter de Verklaring van Lissabon, waarin werd opgeroepen tot versnelde liberalisering van de Europese vervoer-, gas-, elektriciteits- en postmarkt. Aangezien de grote drie instemden met een voorakkoord, zouden de andere lidstaten vermoedelijk wel volgen. De plenaire onderhandelingen van de Raad leverden nog een heel ritueel op van ministers die verder wilden gaan en anderen die het compromis al te vergaand vonden. Maar toen de grote drie formeel hun steun hadden betuigd, volgde de grote meerderheid. Er kwam een stemming en één land stemde tegen: Nederland. De postminister hield vast aan haar grote gelijk, want zij had de beste argumenten en ze had haar positie vastgelegd in het Nederlandse parlement. De Belgische minister, die de vergadering voorzat, keek de commissaris en mij aan toen het Nederlandse nee uit de bus kwam. We keken in de lucht. Nederland werd weggestemd. De Franse minister gaf na afloop van de vergadering een opmerkelijke verklaring uit aan de verzamelde pers. 'We hebben onderhandeld en Frankrijk heeft gewonnen. We hebben de totale liberalisering gestopt.' Ik luisterde ernaar en liet de minister in de waan. Hij moest zijn zogenoemde overwinning in een zegebericht overbrengen naar la Grande Nation. Met het akkoord tussen de ministers werd de tweede lezing in het Europees parlement gemakkelijk. Parlementsleden kregen van hun regering te horen dat ze de positie van de Raad moesten steunen. Geen enkele regering wilde gedonder in de postsector, want het risico op stakingen was groot. Zelfs Simpson werd een mak schaapje. Op een dag bezocht ik hem. Hij liep rond in een rugbyshirt, zijn geliefde sport. 'Ik heb geen keus dan dit te volgen', beaamde hij. Zijn partij zou dissidentie niet vergeven en er rekening mee houden bij het opstellen van de kandidatenlijst voor de volgende Europese verkiezingen, doorgaans een probaat drukmiddel op eigen parlementsleden. 'Kun je nog iets face saving voor me doen?', vroeg hij. 'Ik zal dan zorgen dat de vakbonden hun troepen in de kazerne houden.' Ik vond dat een uitstekende deal en bood hem aan dat de Commissie tijdens de vermindering van het postmonopolie nog twee keer een voortgangsrapport zou maken en dat ter discussie aan het parlement zou sturen. Dit betekende dat Simpson voor de verkiezingen nog twee keer kon schitteren in zijn parlementaire commissie, persverklaringen kon uitgeven en debatten voeren over de post. Daarmee hield hij politiek profiel in de aanloop naar zijn herverkiezing. Het voorstel voor liberalisering kwam erdoor. In 2006 stelde de Commissie voor om de postmarkt in 2009 volledig te openen. Opnieuw zal de Prinses daarbij stuiten op verzet van het Europees parlement, dat dezelfde argumenten aanhaalt als in 2001. En ook Frankrijk zal zich weer roeren als tegenstander van liberalisering. De hoofdrolspelers verdwenen of kwamen via de achterdeur weer terug. Simpson keerde aanvankelijk niet terug in het Europees parlement, maar verscheen in 2006 aan het Europese firmament als opvolger van een gepensioneerde Europarlementariër: toen post als thema in het vizier kwam, dook Simpson op als een duiveltje uit een doos. De Belgische postminister verdween uit de Belgische regering door het faillissement van Sabena. De Franse postminister keerde evenmin terug in de regering, want hij verloor de verkiezingen. Derek werd afgezet door een radicale vakbondsleider, ging met pensioen en hield beschouwingen over de bokssport. Dayan werd door La Poste weggestuurd van het liberaliseringfront. Hij ging eerst naar Afrika om Afrikaanse posterijen te adviseren en werd later secretaris-generaal van de Universele Post Unie, een wereldwijde overlegorganisatie over posterijen. Vanuit die positie verzette hij zich opnieuw tegen volledige liberalisering in 2009. Alleen De Croo zit voorlopig nog op zijn post. Derk-Jan Eppink: 'Europese mandarijnen - een blik achter de schermen van de Europese commissie. ' Lannoo geeft het boek uit. Paperback - 19,95 euro - ISBN 978 90 209 6626 8