Het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) peilde naar aanleiding van de European Business Summit 2010, die het jaarlijks in Brussel organiseert, naar wat leeft bij de Europese bedrijfsleiders en hoe ze denken dat de Europese economie weer op de rails kan worden gezet. "Het is de bedoeling om met de resultaten meer te wegen op de besluit- vorming in Europa", zegt Rudi Thomaes, gedelegeerd bestuurder van het VBO. Met het Belgische voorzitterschap van de EU vanaf 1 juli als hefboom wil het VBO als lokale werkgeversorganisatie ook spreken in naam van zijn collega's uit de rest van Europa. "Daarom was 'deze vinger aan de pols van de Europese topmanagers en -ondernemers' absoluut noodzakelijk", zegt Thomaes.
...

Het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) peilde naar aanleiding van de European Business Summit 2010, die het jaarlijks in Brussel organiseert, naar wat leeft bij de Europese bedrijfsleiders en hoe ze denken dat de Europese economie weer op de rails kan worden gezet. "Het is de bedoeling om met de resultaten meer te wegen op de besluit- vorming in Europa", zegt Rudi Thomaes, gedelegeerd bestuurder van het VBO. Met het Belgische voorzitterschap van de EU vanaf 1 juli als hefboom wil het VBO als lokale werkgeversorganisatie ook spreken in naam van zijn collega's uit de rest van Europa. "Daarom was 'deze vinger aan de pols van de Europese topmanagers en -ondernemers' absoluut noodzakelijk", zegt Thomaes. 241 CEO's werden ondervraagd. Met negen van hen werd een diepte-interview afgenomen. In het staal zitten zowel CEO's van kmo's (45 %) als van grote ondernemingen (55 %), uit de industrie (47 %) en de dienstensector (53 %). 9 procent van de ondervraagden staat aan het hoofd van een onderneming met hoofdzetel in België. Trends zet de tien belangrijkste conclusies op een rij. 65 procent van de groeibedrijven gelooft dat de EU de komende tien jaar uitgroeit tot een sterke, toonaangevende economie die gerespecteerd wordt en invloed heeft op wereldschaal. "Dit toont een groot geloof in eigen kunnen, wat in de tijdsgeest toch een beetje verwonderlijk is", vindt Thomaes. "Als je de kranten leest, zou je denken dat het geloof in het Europese model taande. Als Europa meer één front vormt dat goede socio-economische maatregelen neemt, gelooft een grote meerderheid van de bedrijfsleiders erin." Er is een groot geloof in innovatie (70 % groeibedrijven en 67 % kmo's) als middel om vooruit te komen. "Er is blijkbaar niet zoveel bespaard op innovatie", weet Thomaes. Toch blijft costcutting aan de orde (bij 70 % van de ondernemingen en 52 % van de kmo's). "Waarschijnlijk ligt het cijfer van de kmo's lager omdat zij al zo diep gesnoeid hebben." Ook investeringen in productiviteitsverbeteringen en in internationalisering worden vaak genoemd, vooral bij de grote en de groeibedrijven. Overzeese expansie is voor 40 procent van de ondernemingen een middel om te groeien. "Ondernemingen waarvan de omzet onder druk staat, zetten agressief in op export. Dat is een gezonde reflex", vindt Thomaes. "45 procent van hen zoekt nieuwe afzetmarkten op." Bij kmo's ligt de investeringsbereidheid merkelijk lager (38 %) en ook maar 34 procent denkt aan overzeese expansie. Mensen aanwerven wordt niet als een instrument gezien om de trein weer op de rails te zetten, wat erop kan wijzen dat de toekomstige groei niet arbeidsintensief is. "Slechts een vierde van de ondernemingen zoekt het in aanwervingen. Ik zou niet beweren dat we naar een periode van jobless growth gaan, maar het zal ook geen jobintensive growth zijn. Het accent in het groeimodel ligt veel meer op innovatie, efficiëntie en internationalisering." 95 procent van de ondervraagde CEO's vindt dat Europa de kmo's beleidsmatig sterk moet steunen. "Er is duidelijk nood aan meer entrepreneurs, maar daartoe moeten enkele barrières weggewerkt worden." Die barrières zijn (in volgorde van belangrijkheid): bureaucratie en reglementeringen (71 %), toegang tot krediet (54 %) en arbeidsrigiditeit (51 %). Hoge belastingen en lasten, en het moeilijk vinden van talent scoren niet zo hoog. "Europa is er blijkbaar nog altijd niet in geslaagd de oeverloze bureaucratie op te ruimen. Nochtans kan die barrière relatief eenvoudig weggewerkt worden. Daarvoor zijn geen sociale bloedbaden nodig en ook geen maatregelen die wegen op de begroting. Politici kunnen zich met andere woorden niet achter 'de centen' of 'sociale tegenstand' verbergen om niets aan de administratieve rompslomp te doen." Thomaes stelt ook vast dat arbeidsflexibiliteit voor veel Europese ondernemingen een aandachtspunt is. "De CEO's vinden het blijkbaar heel belangrijk dat ze vlot een beroep kunnen doen op outsourcing, uitzendarbeid, enzovoort." Ook in België ziet hij die trend. "De operationele personeelsproblematiek is belangrijker aan het worden dan de discussie over de hoge loonkosten." Een op de vier CEO's wil dringend zijn wagentje aan die locomotief vasthangen door een relatie op te bouwen met de opkomende Aziatische economieën. 63 procent van de bedrijfsleiders wil binnen de vijf jaar 'iets' doen in of met het Verre Oosten. "Vooral industriële bedrijven kijken met grote ogen naar het groeiende overwicht van de landen uit Azië", merkt Thomaes. "Drie vierde van de bedrijfsleiders is sterk onder de indruk van wat ginder gebeurt. Ze vragen zich af: hoe kunnen we daar ons voordeel mee doen? Meestal stellen ze zich een dubbel doel: grow the market en reduce the cost." Daartegenover staat dat de Europese CEO's nauwelijks geloven in Zuid-Amerika (5 %) of het Midden-Oosten (3 %). "Ik denk dat landen als Brazilië afschrikken omdat de toegang tot de markt er niet gemakkelijk is, maar dat ze toch de moeite lonen. En voor het Midden-Oosten heb ik het gevoel dat men alles op één hoop gooit. Ook daar zitten aantrekkelijke markten tussen, zoals Saudi-Arabië." Wat weerhoudt Europese bedrijven ervan om in nieuwe bedrijfsdomeinen of nieuwe markten te stappen? Vooral hun risicoaversie (43 %), maar ook een zekere zelfgenoegzaamheid ( complacency) of weinig appetijt voor belangrijke veranderingen (40 %) en een gebrek aan visie (28 %). "We hebben in de Europese zakengemeenschap meer mensen als Steve Jobs nodig, ondernemers die de kansen voor de toekomst zien. Visie wordt eerder aan Aziatische businessleaders dan aan Europese toegedicht." "Een grote meerderheid denkt dat de problemen nog niet van de baan zijn en verwacht op korte termijn nieuwe problemen. Bij de ondernemingen met groeiproblemen bedraagt dat percentage zelfs 64 procent. De stabiliteit van het financiële systeem herstellen vinden de bedrijfsleiders een belangrijker opdracht voor de politici dan de aanpak van de ontsporende overheidsbegrotingen. Dat is een belangrijk signaal voor Europa. De ongerustheid van de bedrijfsleiders over de situatie van de banken en het hele financiële systeem blijft verrassend groot." Thomaes: "Dat betekent niet dat ze geen handel kunnen doen met bepaalde landen, maar wel dat de protectionistische maatregelen het inefficiënt en bijzonder duur maken. Een voorbeeld: ondernemingen die in Brazilië zaken willen doen, moeten een leger fiscalisten hebben. Voor kleinere ondernemingen zijn dat gewoon onoverkomelijke hinderpalen." Een economie die wil innoveren, heeft daarvoor goed opgeleide mensen nodig, met andere competenties dan in het verleden. "Veel ondernemingen klagen over de rigiditeit van de arbeidsmarkt en -wetgeving in Europa. Ook in België is dit een groot probleem. De Europese CEO's onderstrepen het belang van continue vorming, up-skilling en re-skilling, activering van werklozen. Zij wijzen er ook op dat de technologiecycli almaar korter worden, terwijl de loopbanen als gevolg van de vergrijzing langer worden. Die twee tendenzen kun je maar verzoenen als er een echte doorbraak van het levenslang leren komt." Niet afhankelijk zijn van energieleveranciers vinden de Europese CEO's essen-tieel. Daarom moet Europa zoveel mogelijk zelf in zijn behoeftes voorzien. Een derde van de CEO's pleit voor investeringen in hernieuwbare energie, een kwart gelooft meer in de uitbouw van de nucleaire capaciteit. Maar er zijn grote verschillen tussen de industriële en de dienstensector, geeft Thomaes aan. "De meeste CEO's uit de industriële sector geloven meer in nucleaire dan in hernieuwbare energie, bij CEO's uit de dienstensector ligt dat omgekeerd. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de prijs. De industrie is een grootverbruiker en is dus veel gevoeliger voor de prijs van energie dan de dienstensector." Thomaes stelt vast dat er voor een energie-intensieve sector als de industrie twee zaken van belang zijn: een gegarandeerde bevoorrading en een concurrentiële prijs. "Sommige vormen van hernieuwbare energie hebben een probleem om continu en stabiel te leveren. Er zijn al zeer gesofisticeerde smart grids nodig om daarvoor een waterdichte garantie te geven. Heel wat sectoren kunnen zich echt geen spanningsvallen permitteren. En met alle kostenhandicaps die we al kennen in Europa, is een hoge energiefactuur helemaal uit den boze. Vandaar dat nucleaire energie bij industriëlen beter scoort." Het VBO vindt het wel ontgoochelend dat energie-efficiëntie nauwelijks de aandacht van de bedrijfsleiders wegdraagt. "Energiebesparingen zijn blijkbaar niet top of mind, dat is een gemiste kans." Amper 13 procent van de Europese CEO's ziet in een lagere consumptie een oplossing voor de energieproblematiek. De ICT-sector vertegenwoordigt amper 4,5 procent van het bbp van de EU en 4 procent van de jobs. Dat kan veel beter. De Digitale Agenda van de Europese Commissie wil het potentieel van de ICT-industrie tegen 2020 vertalen in een grotere economische groei en meer innovatie. Uit de VBO-studie blijkt dat de Europese bedrijven de digitalisering (mobiele technologie en internet) onvoldoende aanwenden om productiever en efficiënter te werken. Twee derde van de bedrijfsleiders geeft dat vrank en vrij toe. Daar zit een belangrijk stuk zelfkritiek in: 21 procent van de CEO's zegt dat de innovatiegedrevenheid in zijn organisatie of branche te klein is. Nog eens 20 procent schuift de zwartepiet door naar de infrastructurele beperkingen: de snelheid of de dekking zou onvoldoende zijn, of onvoldoende betrouwbaar. "Innovatie zit nog niet genoeg in onze genen", concludeert Thomaes. "De Europese zakengemeenschap in haar geheel is geen early adopter van nieuwe ICT-technologieën in haar bedrijfsprocessen. De echte end to end-e-commerce bijvoorbeeld zie je onvoldoende in onze ondernemingen. Dat komt deels ook omdat je nog niet in alle landen van de Europese Unie aan elektronische handel kunt doen. In sommige landen staat de elektronische factuur gelijk met de papieren factuur, in andere landen niet. Dat zijn regulatoire problemen die bovenop de technische problemen komen, en die kunnen Europees opererende bedrijven missen als kiespijn." Uit de enquête blijkt een duidelijk pleidooi om de innovatie-inspanningen te bundelen in pan-Europese centers of excellence. 55 procent van de bedrijfsleiders wil dat Europa daarvoor de middelen bundelt en inzet op clusters. "Het is een signaal tegen de versnippering van middelen over tientallen regionale of nationale valleien", oordeelt Thomaes. "Er moeten grote O&O-clusters komen, gefocust op de assen van de toekomst. Europa dient hierop een visie te ontwikkelen: wat worden de opvolgers van avionics en mobilofonie?" Ook in België moeten de inspanningen gebundeld worden, vindt Thomaes. "Ook in ons land zijn er verschillende, kleine, universitaire labo's in hun eigen hoekje bezig. Op die manier realiseer je niet de grote doorbraken. Er is nood aan schaalvergroting. Alleen op die manier kan Europa concurreren tegen de innovatiebudgetten van de Amerikanen en de Chinezen." Door patrick claerhout