Sedert 1992 heeft Europa zijn eengemaakte markt, vanaf begin volgend jaar lanceren elf lidstaten van de Europese Unie zich in de Europese Monetaire Unie (EMU). Vooral langs vakbondskant klinkt steeds luider de kreet dat men nu ook snel werk moet gaan maken van een Europese eenmaking op sociaal vlak. De Duitse econoom Horst Siebert vindt echter dat dit een fundamentele vergissing zou zijn. Siebert is niet zomaar de eerste de beste: als voorzitter van het ...

Sedert 1992 heeft Europa zijn eengemaakte markt, vanaf begin volgend jaar lanceren elf lidstaten van de Europese Unie zich in de Europese Monetaire Unie (EMU). Vooral langs vakbondskant klinkt steeds luider de kreet dat men nu ook snel werk moet gaan maken van een Europese eenmaking op sociaal vlak. De Duitse econoom Horst Siebert vindt echter dat dit een fundamentele vergissing zou zijn. Siebert is niet zomaar de eerste de beste: als voorzitter van het vermaarde Kiel Institute of World Economics zetelt hij ook in de Raad van Wijzen, een vijfkoppig orgaan dat de Duitse regering adviseert over economische materies. Sieberts pleidooi tegen een geforceerde sociale eenmaking staat te lezen in een recente analyse gepubliceerd in de reeks Kiel Working Papers (*). In deze analyse staan de cijfers inzake arbeidsproductiviteit en arbeidskosten van de 11 EMU-starters centraal. Sieberts cijfers zijn erg waardevol omdat een uitgebreide oefening werd gedaan om de individuele landencijfers zo vergelijkbaar mogelijk te maken. Bijgaande tabel zet de betrokken cijfers, telkens uitgedrukt als een percentage van het West-Duitse niveau, op een rij. Toch oppert Horst Siebert over de vergelijkbaarheid van de cijfers nog enkele bemerkingen. Ten eerste slaan ze slechts op één jaar, nl. 1997. Ten tweede, de schatting van de Italiaanse zwarte sector kan het productiviteitscijfer wat al te hoog opgetrokken hebben. Ten derde, het grote belang van het deeltijds werken in Nederland zal het Nederlandse productiviteitscijfer allicht artificieel naar beneden gehaald hebben.Niettemin meent Siebert te mogen concluderen dat de productiviteitsontwikkelingen binnen de 11 EMU-lidstaten nog al te ver uit elkaar liggen. West-Duitsland haalt de hoogste arbeidsproductiviteit. Slechts drie landen - België, Frankrijk en Oostenrijk - blijven binnen een vork van 10% van dat West-Duitse niveau. België zit met zijn loonkosten echter een stuk hoger dan West-Duitsland, nl. 7,6%. De ratio van de arbeidsproductiviteit tot de loonkosten ligt het slechtst voor Finland, met België als dichtste belager.Horst Siebert concludeert: "De grote verschillen inzake arbeidsproductiviteit maken dat het niet anders kan dan dat de kosten van de socialezekerheidssystemen in de lidstaten op een verschillend niveau liggen. Uiteraard betekent dit ook dat er van een echte harmonisering van sociale uitkeringen en sociale vergoedingen geen sprake kan zijn".(*) Horst Siebert, "Labor Productivities and Labor Costs in Euroland", Kiel Working Paper, no. 866, Kiel Institute of World Economics.